Klikzink

Felsplaten op een mansardedak bij een oude boerderij

Een mansardedak heeft twee hellingen per dakvlak: een steil onderste deel en een flauwer bovendeel, met een duidelijke knik waar ze samenkomen. Bij een oude boerderij is die knik meestal niet strak en recht, maar het resultaat van een gebintconstructie die al tientallen tot honderd jaar meewerkt met de tijd. De gording is gezakt, de spanten staan niet meer helemaal in het lood, en de knik zelf loopt vaak een paar centimeter op en neer over de lengte van het dak. Wie hier felsplaten op legt, ontkomt niet aan een gesprek over die knik voordat er over kleur of montage wordt gepraat.

Waarom de knik een eigen detail vraagt

Op een vlak dak is een fels een fels: de banen lopen van goot naar nok en de klikverbinding doet zijn werk zonder onderbreking. Op een mansardedak stopt elke baan bij de knik en begint er een nieuwe baan met een andere hoek. Dat overgangspunt moet water keren, ook bij slagregen en wind, en het moet de bewegingen van een bewegelijke onderconstructie kunnen volgen zonder te gaan trekken of scheuren. Er zijn in de praktijk twee manieren om dat op te lossen. De eerste is een doorlopende baan die op de knik zelf wordt gebogen, wat alleen kan als de knik redelijk recht is en de overgang niet te scherp. De tweed is een aparte overgangsstrook, een soort brede kraal die de twee dakvlakken met elkaar verbindt en het verschil in hoek opvangt. Bij een oude boerderij met een onregelmatige knik is die tweede oplossing meestal de enige die werkt, simpelweg omdat een doorlopende baan de scheefstand van de gording zou volgen en dan op een paar plekken los zou komen te staan.

Baanindeling op een gebogen vlak

Felsplaten zijn op de millimeter leverbaar, van 450 tot 8000 millimeter, en dat is precies wat een mansardedak op een boerderij nodig heeft. Geen twee boerderijen zijn identiek, en vaak is ook het dak van dezelfde boerderij aan de voor- en achterzijde niet symmetrisch door verbouwingen in de loop der jaren. Voordat er iets wordt bevestigd, wordt het dak daarom opnieuw ingemeten: niet op basis van een oude tekening, maar op basis van de actuele situatie op het dak zelf. De werkende breedte van 475 millimeter blijft het uitgangspunt, maar de lengte van de banen wordt per dakvlak vastgesteld, met het onderste steile deel en het bovenste flauwe deel als twee gescheiden zones. Dat voorkomt dat er bij de knik met halve of driekwart platen gewerkt moet worden, wat op zichzelf al een zwakke plek zou opleveren.

Bij een boerderij die wij eerder van dichtbij hebben gezien, liep de knik over een lengte van bijna twintig meter met een verschil van ruim vijf centimeter tussen het hoogste en het laagste punt. Op zo'n dak is het niet verstandig om uit te gaan van één herhaalde maat voor alle banen. In plaats daarvan is het dak in secties opgedeeld, waarbij elke sectie zijn eigen ingemeten platen kreeg. Dat kost meer voorbereiding, maar voorkomt dat er op het dak zelf nog met de haakse tang gecorrigeerd moet worden, wat bij een fels van 35 millimeter weinig speelruimte geeft.

De randen: daar waar het meestal misgaat

De knik krijgt vaak de meeste aandacht, maar in de praktijk gaat het net zo vaak mis bij de randen van het dakvlak: de gootrand onderaan het steile deel, de nok boven op het flauwe deel, en de hoeken waar het mansardedak overgaat in een wolfseind of een dakkapel. Bij een oude boerderij zijn dit precies de plekken waar de gebintconstructie het meest is gaan werken, omdat daar de spanten samenkomen of de muurplaat het gewicht draagt. Een gootrand die niet meer waterpas ligt, geeft bij een strak gefelste plaat een zichtbare golf, en een golf in een zichtbare rand valt op een monumentaal pand meteen op.

Het detail bij de gootrand moet daarom meebewegen zonder dat de fels zelf onder spanning komt. Dat betekent vaak een aangepaste onderconstructie: een nieuwe, wel waterpas gestelde regel waarop de felsplaten rusten, los van de oude, oneffen gootlijst. Bij de nok geldt iets vergelijkbaars, al is de tolerantie daar meestal iets groter omdat een oneffenheid in de nok minder in het oog springt dan een oneffenheid in de goot. Bij een aansluiting op een dakkapel of een wolfseind komt er een derde probleem bij: twee verschillende dakvlakken met elk hun eigen richting, die op één punt samenkomen. Daar is standaardwerk niet toereikend en moet er op de tekening, of op het dak zelf, een oplossing worden bedacht die past bij die ene situatie.

De status van het gebouw als extra factor

Veel boerderijen met een mansardedak hebben een beeldbepalende of monumentale status, en dat verandert wat een aannemer of eigenaar mag doen. Het gaat dan niet alleen om de kleur, waarbij Nordic Night Black, Slate Grey of Metallic Dark Silver met hun lage glansgraad meestal beter aansluiten bij het aanzicht van een boerderij dan een glanzende plaat zou doen. Het gaat ook om de vraag of de oorspronkelijke lijnen van het dak zichtbaar mogen blijven. Blinde bevestiging onder de fels, zonder zichtbare schroeven, helpt daarbij: het silhouet van het dak, met de karakteristieke knik van de mansardevorm, blijft leesbaar zonder dat er een montagepatroon overheen ligt.

Bij een monumentaal pand is er vaak ook een voorschrift over de maatvoering van de banen, omdat de oorspronkelijke dakbedekking een bepaald ritme had. Staal met een plaatdikte van 0,55 millimeter en een gewicht van ongeveer vijf kilo per vierkante meter is licht genoeg om op een oude gebintconstructie te leggen zonder dat er zwaar geconstrueerd moet worden, maar de baanbreedte van 475 millimeter kan wel afwijken van het ritme dat een monumentencommissie voor ogen heeft. Dat is een gesprek dat vooraf gevoerd moet worden, niet iets wat achteraf op te lossen is.

Wanneer felsplaten hier niet de aangewezen keuze zijn

Er zijn mansardedaken van oude boerderijen waar felsplaten niet de gemakkelijkste oplossing zijn. Als de knik zo grillig is dat er op elke meter een andere hoek gemeten wordt, wordt het aantal overgangsstroken en losse details zo groot dat de vlakverdeling zijn rust verliest, en dat is nu net wat een fels aantrekkelijk maakt op een groot vlak. Ook als de gebintconstructie zo ver is doorgezakt dat eerst de constructie zelf gerepareerd moet worden, heeft het weinig zin om al over de bedekking te praten: dat is een volgorde die niet is om te draaien. En bij een dakhelling die op het bovenste, flauwe deel van de mansardevorm onder de zes graden zakt, is de minimale helling voor felsplaten niet meer gehaald en moet er gekeken worden naar een andere opbouw of een aangepaste hellinghoek in de onderconstructie.

Wat u nu kunt doen

Het is voor dit type dak niet verstandig om vanaf een foto of een oude tekening een indeling te maken. Neem het dak, en vooral de knik en de randen, eerst op locatie op, of laat dat doen. Wij denken op basis van een tekening of een opmeting mee over de vlakverdeling en de details bij de knik, de goot en de nok, zonder dat dat wat kost. Dat gesprek, gevoerd voordat er iets besteld wordt, bepaalt of het dak straks rustig oogt of dat de knik zichtbaar blijft als een zwakke plek.

KKlikzink
Pagina'sHomeSpecificatiesKleur / CoatingProjectenDetailsTechnisch adviesBlogContact
Contact
Adres
© Klikzink