Klikzink

Felsplaten op een schilddak van een kapschuur

Een schilddak op een kapschuur heeft geen platte gevels waar de rest van het dak op wacht. Alle vier de vlakken lopen af, en waar ze samenkomen ontstaat een hoekkeper. Dat verandert de manier waarop wij de banen indelen, hoeveel wij op maat moeten snijden en waar in de praktijk dingen misgaan. Dit is een ander vraagstuk dan bij een zadeldak met twee vlakken en twee rechte gevels, en de meeste problemen die wij op schilddaken tegenkomen zitten in de hoeken, niet in het platte middenvlak.

Baanindeling met vier vlakken

Bij een zadeldak legt u de banen van de goot naar de nok en bent u met de meeste vlakken klaar met een paar volle platen en misschien één versnijding aan de rand. Bij een schilddak heeft elk van de vier vlakken zijn eigen driehoek- of trapeziumvorm, en de banen worden aan de kepers steeds korter of moeten schuin worden afgekort. Dat betekent dat wij, voordat er iets gewalst wordt, een inmeting nodig hebben waarin elk vlak apart is opgenomen: de lengte langs de gording, de hoek van de keper, en waar de vlakken in de nok samenkomen. Omdat wij op de millimeter leveren, kunnen wij die schuine kant al meenemen in de plaat, maar dan moet de tekening wel kloppen. Een kapschuur met een rechthoekige plattegrond geeft twee grote driehoekige vlakken aan de korte zijden en twee grotere trapeziumvlakken aan de lange zijden; die twee typen vragen een andere baanindeling en worden nooit met dezelfde maatvoering aangeleverd.

In de praktijk zien wij dat de fout er vaak al in zit voordat de eerste plaat gelegd wordt: de aannemer rekent de kepermaat op het dak in plaats van op de tekening, en dan blijkt op de bouwplaats dat de gordingafstand aan de keper net iets anders uitvalt dan gepland. Bij een kapschuur met een grote open overspanning en gordingen die relatief ver uit elkaar staan, is die marge kleiner dan u denkt: de plaat moet tussen twee gordingen voldoende steun houden, en aan de keper schuiven de gordingen vaak net niet symmetrisch aan. Wij adviseren daarom altijd om de kepers zelf te laten inmeten voordat de platen gewalst worden, niet te vertrouwen op de bouwtekening alleen.

De hoekkeper is waar het misgaat

De hoekkeper is de plek waar het meeste vakmanschap nodig is, en ook de plek waar bij haastig werk de meeste schade ontstaat. Twee dakvlakken komen er onder een hoek samen, de felsen van de platen aan beide zijden moeten netjes op de keperlijn aansluiten, en de kepervorm zelf moet waterdicht afgewerkt worden met een keperprofiel of een geknipte overgang. Omdat de felsplaten met klemmen onder de fels bevestigd worden en er geen zichtbare schroeven in het vlak zitten, valt een onzorgvuldige aansluiting aan de keper meteen op: er is geen randje of oversized profiel om een kleine fout in te verstoppen.

Wij hebben dit type dak vaker gezien met vier hoekkepers die alle vier net een andere hoek hadden, doordat de kapconstructie van de schuur niet volledig symmetrisch was uitgevoerd. Dat is op een kapschuur, waar de spanten vaak grover en met minder precisie zijn opgezet dan bij een woonhuis, geen uitzondering. Voor ons betekent dat: geen enkel keperprofiel standaard bestellen voordat de opname op de bouwplaats heeft plaatsgevonden. Een keper die twee millimeter afwijkt van de tekening geeft op zichzelf geen probleem, maar vier platen die allemaal precies op de tekenmaat zijn gewalst en dan tegen een afwijkende keper aan moeten, geven een zichtbare kier of een gedwongen overlap.

Geen isolatie, dus condens is de hoofdvraag

Bij veel kapschuren wordt niet geïsoleerd: het gebouw is opslag, stalling of overkapping, en de kosten van een geïsoleerde dakopbouw wegen niet op tegen het gebruik. Zonder isolatie zit er onder de felsplaat alleen de gording, de eventuele dakbeschieting en de buitenlucht daaronder. Dat is precies de situatie waarin condens ontstaat: warme, vochtige lucht van binnen komt tegen de koude onderkant van de stalen plaat en slaat daar neer als condens. Bij een schilddak met vier vlakken die allemaal een andere oriëntatie hebben ten opzichte van de zon en de wind, is dat niet overal gelijk: het noordvlak van de schuur blijft langer koud en nat dan het zuidvlak, en dat zien wij terug in de manier waarop condens zich concentreert.

Condensvocht dat vrij kan wegdruppelen is meestal geen probleem: het valt in de schuur naar beneden en verdampt weer. Vervelend wordt het wanneer dat vocht wordt vastgehouden, bijvoorbeeld door opgeslagen materiaal dat tegen de onderkant van het dak ligt, of door een houten gording die het vocht opneemt in plaats van het te laten druppelen. Bij een kapschuur met een grote overspanning en dus lange, doorgaande gordingvakken, ligt er vaak meer plat vlak onder de plaat dan bij een kleinere schuur, en daarmee ook meer oppervlak waar condens zich kan verzamelen voordat het een weg naar buiten vindt.

Een antivocht-vlies onder de plaat, aangebracht direct tegen de onderzijde van de felsplaat, vangt condens op en laat het geleidelijk verdampen zonder dat het op de opslag druppelt. Bij een schilddak zonder isolatie is dat vaak de enige toevoeging die nodig is: er hoeft geen volledig isolatiepakket bij te komen om het probleem op te lossen, en dat scheelt aanzienlijk in de opbouw en het gewicht op de gordingen. Waar dit niet volstaat, is bij schuren die ook gebruikt worden om gevoelig materiaal droog te stallen, zoals hooi, hout of machines die niet met vochtige lucht in aanraking mogen komen; dan is alleen een vlies vaak niet genoeg en moet er breder gekeken worden naar ventilatie in de nok en onder de gootlijn.

Randaansluitingen bij vier dakvlakken

Bij het schilddak loopt de gootlijn rondom het hele gebouw, in plaats van aan twee zijden zoals bij een zadeldak. Dat betekent vier gootaansluitingen in plaats van twee, en bij elke overgang van vlak naar vlak een aparte hoekoplossing in de goot zelf. Bij een kapschuur, waar de dakrand vaak ver doorsteekt om de gevel en eventueel opgeslagen materiaal droog te houden, moet de gootconstructie dat overstek dragen zonder dat de felsplaat zelf de belasting hoeft op te vangen. Wij zien hier het vaakst dat de dakrand wel netjes is uitgetekend, maar dat de overgang van het rechte vlak naar de driehoekige punt bij de korte gevel niet is doorgerekend: daar loopt de gootlijn onder een andere hoek dan bij de lange zijden, en dat vraagt een apart eindstuk.

Op de nok komen bij een schilddak alle vier de vlakken samen in een punt of, bij een langere kapschuur, in een korte nokligger tussen twee eindpunten. Die nokafwerking moet net als de kepers vooraf worden opgemeten, niet standaard worden ingekocht.

Wat u nu kunt doen

Wilt u weten hoe de baanindeling voor uw schilddak eruit ziet, of wilt u dat wij meekijken naar de kepermaten en de condensvraag in uw ontwerp, stuur ons de tekening. Meedenken op de tekening kost niets, en wij geven u vooraf aan waar in uw situatie de aandacht naar de hoeken en naar de vochthuishouding onder het dak moet gaan.

Terug naar het overzicht

KKlikzink
Pagina'sHomeSpecificatiesKleur / CoatingProjectenDetailsTechnisch adviesBlogContact
Contact
Adres
© Klikzink