Klikzink

Felsplaten op schilddak bedrijfsloods

Een schilddak op een bedrijfsloods ziet er van buiten eenvoudig uit: vier vlakken, netjes tegen elkaar aan, geen puntgevels. Voor de dakbedekker is het juist het tegenovergestelde. Waar een zadeldak twee vlakken en één nok heeft, heeft een schilddak vier vlakken en vier hoekkepers die allemaal onder een andere hoek samenkomen. Elk van die kepers is een plek waar een felsplaat schuin moet worden afgewerkt, en dat gebeurt op een schilddak dus vier keer per dakvlak in plaats van eenmalig bij de nok.

Waar het snijwerk zich concentreert

Bij een zadeldak ligt bijna al het snijwerk bij de nok en de eindkap. Op een schilddak van een loods verschuift dat naar de hoeken. De platen op het hoofdvlak lopen door tot aan de keperlijn, en daar moet iedere baan schuin worden ingekort, precies volgens de hoek van het dak. Bij een rechthoekige loods met een gangbare kapvorm is die hoek op alle vier de kepers gelijk, wat het werk voorspelbaar maakt. Bij een loods met een onregelmatige plattegrond, bijvoorbeeld met een uitbouw aan één zijde of een hoek die niet haaks is, verschillen de keperhoeken per vlak. Dan moet voor elk vlak apart worden opgemeten en ingedeeld, en dat is het moment waarop een aannemer met te weinig ervaring in de fout gaat: platen die op maat gezaagd in plaats van gefelst worden aangesloten, zichtbare kopnaden bij de kepers, of een aansluiting die wel dicht is maar niet recht ligt.

Wij leveren de platen op maat en op de millimeter vanaf de fabriek, maar de haaks afgeleide lengte bij de kepers wordt op de bouwplaats bepaald. Dat vraagt om een inmeting per vlak, niet om één maat die op alle vier de zijden wordt toegepast. Een loods van vijftig bij dertig meter met een schilddak heeft in de praktijk vier verschillende maatstaten nodig, ook als de kapvorm symmetrisch lijkt.

Baanlengte en uitzetting op een lang dakvlak

Het hoofdvlak van een schilddak op een loods is vaak fors: tientallen meters lang, van goot tot nok. Op zo'n lengte telt de uitzetting van het materiaal wel degelijk mee, ook al zet stalen felsplaat ongeveer half zo veel uit als zink. Bij een baan van dertig meter loopt de lengteverandering door temperatuurwisseling op tot een waarde waarmee bij de detaillering rekening gehouden moet worden, vooral bij de aansluiting op de gootlijn en bij doorvoeren.

Op een schilddak komt daar iets bij: de baanrichting op elk vlak loopt naar de eigen nok toe, en bij de hoekkeper ontmoeten twee vlakken met een verschillende uitzettingsrichting elkaar. Daar moet de bevestiging onder de fels voldoende speling toelaten om die platen onafhankelijk van elkaar te kunnen laten bewegen, zonder dat de naad bij de keper openspringt of gaat drukken. Bij een zadeldak met een simpele nok speelt dat veel minder, omdat de platen aan beide zijden van de nok in dezelfde richting bewegen. Op een schilddak lopen de bewegingsrichtingen van de vier vlakken juist naar elkaar toe, en dat is precies waarom de klemmen onder de fels hier zorgvuldiger geplaatst moeten worden dan op een rechte kap.

De randen: goot, hoekkeper en nok

De randen van een schilddak zijn talrijker dan bij een zadeldak, en dat merkt u het meest bij de goot. Een schilddak heeft aan alle vier de zijden een gootlijn, en dus vier keer een aansluiting waar water van het dakvlak moet worden opgevangen zonder dat het bij de hoek van twee vlakken samenkomt en overloopt. Bij de hoekkeper zelf lopen de platen van twee vlakken schuin naar elkaar toe, en de kaplijn die daar overheen komt moet het aansluitpunt afdekken zonder dat er een knik in het profiel zichtbaar wordt. Dat is precies waar visueel de kwaliteit van de uitvoering wordt afgelezen: een rechte, doorlopende hoeklijn zonder sprongen in de plaatbreedte, over de volle lengte van de keper.

De nok van een schilddak is vaak korter dan bij een zadeldak, omdat de vier vlakken naar een kleiner nokpunt of een korte noklijn toe lopen. Dat vraagt om een andere kapdetaillering dan bij een lange nok: de nokstukken moeten passend worden gezaagd op de plek waar de vier vlakken samenkomen, en bij een piramidevormig schilddak zonder noklijn komt dat neer op een enkel sluitstuk waar alle vier de hoekkepers samenkomen. Dat detail wordt op de bouwplaats gemaakt, niet in de fabriek, en de kwaliteit daarvan hangt volledig af van de vakman die het monteert.

Waar dit systeem niet de aangewezen keuze is

Een schilddak met veel kleine opbouwen, zoals lichtkoepels, luchtkanalen of een dakrand met veel doorvoeren dicht bij de hoekkeper, is geen ideale combinatie met felsplaten. Iedere doorvoer die vlak bij een keper ligt, maakt het aansluiten van de schuine platen lastiger en vergroot de kans op een lek die zich pas na een paar seizoenen laat zien, bij de eerste stevige regenval met wind uit een bepaalde hoek. Bij een dakhelling onder de zes graden is felsplaat sowieso niet toepasbaar, en een schilddak met een heel vlakke helling, zoals soms bij bredere loodsen met een lage nok, valt daar in de praktijk tegenaan.

Ook als de vier vlakken van het schilddak sterk in grootte verschillen, bijvoorbeeld bij een loods die aan één zijde is uitgebreid, is het de moeite waard om vooraf goed te laten narekenen of de keperhoeken en de baanindeling nog werkbaar zijn. Een schilddak is in die zin minder vergevingsgezind dan een zadeldak: hoe meer hoeken, hoe meer plekken waar een kleine meetfout zich opstapelt tot een zichtbaar probleem.

Wat u nu kunt doen

Heeft u een schilddak op een loods waarvoor u een dakbedekking overweegt of vervangt, dan helpt het om vooraf een tekening te maken met de exacte hoeken van alle vier de kepers en de lengte van elk dakvlak vanaf de goot tot de nok. Stuur die tekening naar ons op, dan denken wij mee over de baanindeling en de plaatlengtes per vlak. Dat meedenken kost niets, en het scheelt op de bouwplaats een hoop rekenwerk dat daar niet meer gedaan moet worden.

KKlikzink
Pagina'sHomeSpecificatiesKleur / CoatingProjectenDetailsTechnisch adviesBlogContact
Contact
Adres
© Klikzink