Klikzink
Bij een woonboerderij gaat het bij deze vraag zelden om het hele dak. De meeste boerderijen die wij tekenen hebben een groot, vaak asymmetrisch dakvlak waarvan een deel al jaren riet of pannen draagt en een ander deel wordt vernieuwd of aangepast, bijvoorbeeld boven een aanbouw, een deel van de kapschuur of een dakkapel. De vraag hoe lang felsplaten meegaan is dan niet los te zien van hoe die twee materialen op elkaar aansluiten. Dat maakt deze situatie anders dan bij een op zichzelf staand dak: de levensduur van het staal is één ding, de kwaliteit van de aansluiting is een ander ding, en bij een woonboerderij is dat tweede vaak bepalender voor hoe het er over twintig jaar bij staat.
De stalen plaat zelf verandert in die periode nauwelijks. Het staal is verzinkt aan beide zijden en daar overheen ligt een coating van 50 micrometer die is gemaakt om weer en zonlicht te weerstaan. De kleur, een van de drie matte tinten die wij leveren, verandert nauwelijks van glans of tint in de eerste decennia. De fels, de haaks opstaande rand waarmee de banen aan elkaar klikken, blijft mechanisch gesloten omdat er onder de fels wordt bevestigd met klemmen. Er zitten geen schroeven door het vlak die kunnen gaan lekken, en dat is precies het onderdeel van een dak dat bij oudere bedekkingen vaak als eerste voor problemen zorgt. Bij een boerderij met een groot, vaak zichtbaar dakvlak vanaf de weg of vanuit de tuin telt dat: er is na verloop van jaren geen rij roestvlekken bij elke schroef te zien, omdat die schroeven er niet zijn.
Het meest voorspelbare verschil is thermisch. Staal zet uit en krimp met temperatuurwisselingen, ongeveer half zoveel als zink maar toch merkbaar over een lange baanlengte. Bij een boerderijdak met lange rechte vlakken, zoals je vaak ziet bij een langgevelboerderij met een doorlopend dakschild, loopt de plaat soms over een groot deel van de daklengte door. Dat is op zichzelf geen probleem: de platen zijn op maat te leveren tot 8000 mm en de klemconstructie is gemaakt om die beweging op te vangen. Waar het wel toe doet is bij de randen: de plek waar het stalen vlak grenst aan een schoorsteen, een dakkapel of, specifiek voor dit gebouwtype, aan het rieten of tegelvlak ernaast. Bij die randen moet de detaillering ruimte laten voor die beweging. Wordt dat bij de bouw goed opgelost, dan merkt u er in de praktijk niets van. Is de aansluiting te strak of te star uitgevoerd, dan kan daar op termijn een naad ontstaan die niet meer helemaal aansluit, terwijl het vlak zelf intact blijft.
Een boerderij waarbij het ene dakdeel felsplaten krijgt en het andere deel riet of pannen behoudt, heeft een overgang die niet hetzelfde werkt als een gewone dakvoet of gootaansluiting. Riet werkt en zet en beweegt op een andere manier dan een pannendak, en beide gedragen zich weer anders dan een strak stalen vlak. Bij een rieten kap komt er bovendien vaak een hogere en meer uitstekende overgang aan te pas dan bij pannen, om te voorkomen dat afstromend water vanaf het riet onder de felsplaten komt. Bij een pannendak gaat het vaker om een aansluiting op een schoorsteen of muurdorpel die precies op de goede hoogte en overlap moet liggen. In de praktijk zien we dat het stalen deel van zo'n dak, mits de klemmen en de fels goed zijn uitgevoerd, na twintig jaar nauwelijks aanleiding geeft tot onderhoud, terwijl juist die overgangsdetails de plek zijn waarop je bij een inspectie het eerst moet kijken. Dat is dan ook geen kwestie van het materiaal dat verslijt, maar van een aansluiting die bij de bouw goed of net niet goed genoeg is gemaakt.
Bij een T-boerderij die wij een aantal jaar geleden mee hebben getekend, kreeg het achterliggende schuurdeel felsplaten in Slate Grey, terwijl het voorhuis zijn rieten kap behield. De overgang lag op de plek waar de nok van de schuur aansluit op de zijkant van het rieten dakvlak. Daar is gekozen voor een hoge, doorlopende loodslabbe die los van beide materialen kan bewegen, in plaats van een strakke naad. Bij een controle na een aantal winters bleek precies dat punt de enige plek waar aandacht nodig was, niet vanwege het staal, maar omdat het riet daar iets was ingeklonken. Dat is geen gebrek aan het felsplatendeel, maar een normaal verschijnsel bij riet dat je bij zo'n gemengd dak wel moet blijven volgen.
Bij een dakvlak met een helling onder de zes graden is een stalen felsdak sowieso niet toepasbaar, en dat komt bij boerderijen met een flauw hellend schuurdak of luifel wel eens voor. Ook als het rieten deel van het dak zelf al aan vervanging toe is en er op korte termijn opnieuw riet wordt aangebracht, is het niet verstandig om nu al een definitieve aansluiting te maken op het stalen deel: die aansluiting wordt dan twee keer gemaakt in plaats van één keer goed. En bij een boerderij waar de eigenaar op termijn nog van plan is het hele dak in dezelfde bedekking te voeren, is het soms verstandiger die keuze eerst te maken voordat er een gemengd dak ontstaat met een blijvende overgang die je liever niet had willen hebben. Wat felsplaten op zo'n dak juist wel geschikt maakt, ligt buiten deze pagina, maar de kern van deze vraag is dat de levensduur van het stalen deel op zichzelf weinig zorgen geeft; de aandacht moet uitgaan naar de plek waar het overgaat in het andere materiaal.
Als u een boerderij heeft met een gemengd dak, of van plan bent er een te maken, is het verstandig om niet alleen te kijken naar het materiaal van het nieuwe vlak, maar vooral naar de tekening van de aansluiting met het bestaande dakdeel. Heeft u een tekening of een situatie op locatie, dan denken wij daar kosteloos in mee, en leveren we de platen op de millimeter op maat aan.