Klikzink

Felsplaten op een schilddak van een recreatiewoning

Een schilddak heeft geen nokken die van gevel tot gevel doorlopen, zoals bij een zadeldak. In plaats daarvan lopen alle vier de dakvlakken schuin naar binnen, naar elkaar toe, en komen ze samen in vier hoekkepers en meestal één of twee korte nokken. Voor felsplaten betekent dat iets heel concreets: er is geen enkel dakvlak dat u in één rechte baanindeling kunt volleggen zonder dat u tegen een schuine rand aanloopt. Bij een recreatiewoning met een schilddak zit het werk dus niet in de platte vlakken, maar in de vier hoeken waar de vlakken samenkomen.

Dat klinkt als een detail, maar het is het verschil tussen een dak dat er over tien jaar nog steeds strak bij ligt en een dak waar op de kepers na een paar jaar al een lichte welving of een verkleuring te zien is. Wij komen dat geregeld tegen bij recreatiewoningen uit de jaren zestig tot tachtig, waar het dak destijds bedoeld was voor lichte golfplaten of bitumen en waar nu, bij vervanging, felsplaten overwogen worden. De kapconstructie is dan vaak lichter uitgevoerd dan je bij een vergelijkbaar dak op een gewoon woonhuis zou verwachten. Dat is op zichzelf geen probleem voor felsplaten, die wegen ongeveer 5 kilo per vierkante meter en zijn daarmee lichter dan de meeste andere dakbedekkingen. Maar het betekent wel dat de manier waarop u de platen bevestigt en de gootconstructie belast, preciezer moet worden afgestemd op wat er onder ligt dan op een recreatiewoning met een zwaardere, recentere kapconstructie.

Baanindeling: waarom de kepers de doorslag geven

Bij een zadeldak legt u de banen simpelweg van de goot naar de nok, in de lengte van het vlak, en heeft u aan de boven- en onderkant een rechte afwerking. Bij een schilddak op een recreatiewoning ligt dat anders. Elk van de vier vlakken is aan twee zijden schuin, omdat de hoekkepers onder een hoek van doorgaans 45 graden het vlak insnijden. Dat betekent dat de banen aan de kepers op maat gezaagd en afgekant moeten worden, en dat u bij elke baan opnieuw moet bepalen hoe de afkanting bij de keper precies uitkomt.

In de praktijk werken we hierbij met een baanindeling die vanuit het midden van elk vlak start en symmetrisch naar de twee kepers toe loopt. Dat voorkomt dat u aan één kant met een volle baan en aan de andere kant met een heel smal reststrookje eindigt, wat op een schilddak snel opvalt omdat de vlakken relatief klein en de hoeken goed zichtbaar zijn vanaf de grond. Omdat felsplaten op maat gewalst worden, van 450 tot 8000 millimeter op de millimeter nauwkeurig, kunnen we die indeling vooraf op tekening uitwerken en de platen precies op de juiste breedte laten aanleveren. Dat scheelt bij de hoekkepers een hoop paswerk op het dak zelf, wat bij een schilddak met vier van dergelijke hoeken al snel oploopt.

De hoekkeper zelf is het punt waar de meeste tijd in gaat zitten. Anders dan bij dakpannen, waar de keper met aparte hoekstukken wordt afgewerkt, moet bij felsplaten elke baan aan de keper onder de juiste hoek worden afgekant en aangesloten op de baan van het aangrenzende vlak. Bij een schilddak met vier kepers is dat viermaal dit werk, en bij elke keper moet de aansluiting waterdicht zijn zonder dat er een zichtbare naad of oneffenheid ontstaat. Dat is precisiewerk dat om ervaring vraagt, en het is ook de reden dat een schilddak, ondanks de kleinere oppervlakte per vlak, meer arbeidstijd kost dan een zadeldak van vergelijkbare omvang.

De randen: goot, nok en de overgang naar de gevel

Bij een recreatiewoning met een schilddak is de gootlijn vaak rondom het hele gebouw gelijk, wat op zichzelf een voordeel is: er is geen onderscheid tussen een voor- en achtergevel met verschillende detaillering, zoals bij een zadeldak met wolfseinden weleens voorkomt. Maar de aansluiting van vier vlakken op één doorlopende goot vraagt wel om een doordachte volgorde van werken. Wij beginnen bij zo'n dak altijd met de bevestiging van de eerste rij klemmen langs de gehele gootlijn, zodat de onderkant van alle vier de vlakken in dezelfde lijn ligt voordat de banen omhoog naar de kepers en de nok worden gelegd. Doe je dat niet, dan loop je het risico dat kleine verschillen zich opstapelen richting de nok en dat de laatste baan bij de nok niet meer netjes aansluit.

De nok bij een schilddak is vaak korter dan bij een zadeldak, en bij sommige recreatiewoningen is er zelfs geen rechte nok maar een puntvormige top waar alle vier de vlakken in één punt samenkomen. Dat vraagt om een aangepaste nokafwerking die op maat gemaakt moet worden, in plaats van de standaard nokstukken die bij een doorlopende nok gebruikt kunnen worden. Ook hier geldt dat vooraf tekenen en op maat laten walsen een hoop gepuzzel op het dak zelf voorkomt.

Omdat felsplaten blind bevestigd worden met klemmen onder de fels, zijn er geen zichtbare schroeven op het dakvlak zelf, wat bij een schilddak met veel zichtbare hoeken en randen esthetisch prettig is: het oog wordt niet afgeleid door bevestigingspunten en de lijnen van de fels en de kepers blijven strak zichtbaar. Op de bestaande houten dakconstructie werken we met schroeven, bij een stalen ondergrond met zelfborende schroeven. Bij een recreatiewoning is de onderconstructie meestal hout, soms met een dun bitumen dakbeschot dat vervangen wordt bij de renovatie.

Waar het misgaat

Het meeste gaat mis wanneer de lichte kapconstructie van een oudere recreatiewoning niet goed wordt meegenomen in de planning. Een dak dat in de jaren zeventig gebouwd is voor golfplaten heeft vaak dunnere gordingen en minder ondersteuning dan een dak dat berekend is op dakpannen. Felsplaten zijn weliswaar licht, maar de kracht van wind op een dak met vier hoeken en relatief steile vlakken kan bij een lichte constructie toch een punt van aandacht zijn, vooral bij de hoekkepers waar de platen extra belast worden door windwerking vanuit twee richtingen. Wij adviseren daarom altijd om, voordat er iets besteld wordt, de bestaande gording en spanten te laten beoordelen, zeker als het gaat om een recreatiewoning die al veertig jaar of langer op zijn plek staat.

Een tweede punt waar het misgaat, is de fels bij de hoekkeper zelf. Wanneer daar niet zorgvuldig wordt gewerkt, ontstaat een kier waar water kan binnendringen, en dat is bij een schilddak lastiger te herstellen dan bij een zadeldak omdat de keper vaak moeilijk bereikbaar is zonder het hele vlak opnieuw open te maken. Dat is precies de reden waarom we dit soort daken liever niet als eerste project aan een minder ervaren ploeg overlaten: de hoekkepers vragen om iemand die dat werk al vaker gedaan heeft.

Een derde valkuil is het onderschatten van de uitzetting bij een dak met vier vlakken die allemaal op elkaar aansluiten. Staal zet ongeveer half zoveel uit als zink, wat op zichzelf gunstig is, maar bij een schilddak met meerdere aansluitpunten moet toch rekening gehouden worden met enige beweging, vooral bij de langere banen op de grotere vlakken. Wordt daar bij het ontwerp van de baanindeling geen ruimte voor gelaten, dan kan dat op termijn tot spanning bij de kepers leiden.

Wat u nu kunt doen

Heeft u een recreatiewoning met een schilddak en overweegt u felsplaten, dan is het verstandig om eerst een tekening van het dak met de exacte vlakmaten en de hoek van de kepers aan te leveren. Wij denken daar kosteloos over mee en werken de baanindeling per vlak uit, zodat u vooraf weet hoe de kepers en de nok worden afgewerkt en waar mogelijke aandachtspunten in de bestaande kapconstructie liggen.

KKlikzink
Pagina'sHomeSpecificatiesKleur / CoatingProjectenDetailsTechnisch adviesBlogContact
Contact
Adres
© Klikzink