Klikzink
Een kantoorunit met een schilddak ziet er van buiten compact en overzichtelijk uit, maar op het dak zelf gebeurt meer dan bij een simpel zadeldak. Een schilddak heeft vier hellende vlakken die elkaar ontmoeten in vier hoekkepers, en vaak ook nog een nok die korter is dan de gevel eronder. Bij een kantoorunit komt daar iets bij dat andere gebouwen niet hebben: de maat van het dak is niet door een architect bepaald, maar door de fabrieksmaat van de unit. Een module van bijvoorbeeld drie bij zes meter, of een gestapelde combinatie van twee of drie units, legt de maat van het dakvlak vast voordat er ook maar over felsplaten is nagedacht. Dat klinkt als een detail, maar het bepaalt de hele baanindeling.
Op een zadeldak lopen de banen felswerk gewoon door van goot naar nok, met misschien een schoorsteen of dakraam als enige onderbreking. Op een schilddak van een kantoorunit is dat anders. Elk van de vier vlakken is een driehoek of een trapezium, en elke baan die richting de hoekkeper loopt, wordt korter naarmate hij dichter bij de top komt. Dat betekent dat er op elk vlak een schuine afkorting nodig is, en dat die afkorting op de juiste plek in de hoekkeper moet aansluiten op het vlak ertegenover. Bij vier hoeken is dat vier keer dezelfde precisie, vier keer opnieuw uitmeten en afpassen.
Omdat felsplaten leverbaar zijn op de millimeter, hoeft dat snijwerk niet allemaal op de bouwplaats te gebeuren. Wij werken de baanindeling het liefst uit op basis van een tekening van de unit, inclusief de werkelijke afmetingen van het dakvlak en de hoek van de kepers. Dan komen de platen op maat aan, en blijft het handwerk op het dak beperkt tot het aansluiten in de keper zelf, niet tot het passend knippen van hele banen. Wie dat omdraait, en gewoon standaardbreedtes van 475 millimeter op het dak legt en dan pas gaat afkorten, loopt het risico dat de laatste baan tegen de keper een rafelig, te smal reststrookje wordt dat nooit netjes vlak komt te liggen.
Bij een traditioneel kantoorgebouw wordt het dak op maat van het gebouw gemaakt. Bij een verplaatsbare of gestapelde kantoorunit is het net andersom: het dakwerk voegt zich naar een maat die al vaststaat, namelijk de module van de fabrikant. Dat heeft praktische gevolgen voor de indeling van de banen. Een baan die op een gewoon pand precies tot de nok zou lopen, kan op een unit net een paar centimeter te lang of te kort uitvallen, simpelweg omdat de dakbreedte een modulemaat is en geen ronde meter.
In de praktijk betekent dit dat we de werkende breedte van 475 millimeter zelden zomaar een paar keer naast elkaar leggen en het laatste stukje bij laten passen. Beter is om vooraf te rekenen hoeveel hele en gedeelde banen er op het vlak passen, en de indeling zo te verdelen dat de smalste baan niet toevallig op de meest zichtbare plek van het dak terechtkomt, vlak bij de voorgevel waar iedereen die het gebouw binnenloopt het ziet. Bij een gestapelde unit met twee of drie bouwlagen speelt dit des te meer, omdat het dakvlak van boven vaak goed te zien is vanaf de begane grond of vanaf een naastgelegen gebouw.
Het middenstuk van een dakvlak is met felsplaten meestal het makkelijkste deel van het werk. De banen liggen recht naast elkaar, de klemmen onder de fels houden alles vlak, en er is verder weinig bijzonders aan de hand. De aandacht gaat naar de randen: de daktrim langs de gevel, de hoekkeper waar twee vlakken samenkomen, en de nok waar bij een schilddak vaak vier vlakken tegelijk bij elkaar komen in een punt of een korte lijn.
Bij een hoekkeper moet de plaat op maat versneden worden onder een hoek die precies overeenkomt met de hellingshoek van de twee vlakken die er samenkomen. Wordt die hoek net iets verkeerd ingeschat, dan sluit de keper niet goed aan en ontstaat er een kier waar water onder kan trekken. Bij een kantoorunit met een relatief kleine dakoppervlakte lijkt dat een klein risico, maar juist omdat de vlakken klein zijn, valt elke onregelmatigheid in de kepers meteen op, en is de kans op een lek bij een kleine fout relatief groter dan bij een groot dakvlak waar dezelfde fout in de massa verdwijnt.
Ook de rand langs de gevel, waar de daktrim het felswerk afsluit, vraagt aandacht. Bij een unit die verplaatsbaar is of ooit weer gedemonteerd kan worden, moet die aansluiting stevig genoeg zijn om verplaatsing en het opnieuw plaatsen te doorstaan, zonder dat de trim los raakt of vervormt. Dat is een andere eis dan bij een vast gebouw, waar de trim voor de hele levensduur op zijn plek blijft liggen.
De meeste problemen op een schilddak van een kantoorunit ontstaan niet op het vlakke middenstuk, maar in de hoeken en langs de randen, en dat heeft meestal een van twee oorzaken. De eerste is dat de baanindeling niet is afgestemd op de werkelijke maat van de unit, waardoor er op het dak zelf provisorisch bijgesneden moet worden. Dat werkt, maar het kost tijd, levert meer restmateriaal op, en de kans dat een haastig bijgesneden baan in de hoekkeper niet helemaal netjes aansluit, is groter dan wanneer die baan al op maat is aangeleverd.
De tweede oorzaak is de uitzetting van het materiaal. Staal zet minder uit dan zink, ongeveer de helft, maar bij vier hoekkepers op een relatief klein dakvlak is de ruimte om die uitzetting op te vangen ook kleiner. Worden de klemmen te dicht bij een hoek geplaatst, of wordt de plaat daar te strak vastgezet, dan kan dat op termijn tot spanning in het materiaal leiden, juist op de plek waar de plaat al onder een hoek is afgewerkt en dus het minst stevig is. Bij temperaturen onder de vijftien graden onder nul is koud vouwen van deze felsplaten geen probleem, maar dat zegt niets over hoe de bevestiging bij de hoeken is uitgevoerd, en dat is een kwestie van vakmanschap op de bouwplaats, niet van het materiaal zelf.
Een derde, minder vaak genoemde valkuil is dat een schilddak op een unit soms een heel lage hellingshoek heeft, net boven de zes graden die voor deze felsplaten het minimum is. Bij zo'n lage helling is de marge voor fouten in de kepers en aansluitingen kleiner, omdat water minder snel wegloopt en dus meer tijd heeft om een kier te vinden als de aansluiting niet helemaal dicht is. Bij een hellingshoek die tegen het minimum aan zit, is precisie in de hoekkepers dus nog belangrijker dan bij een steiler dak.
Bij een zeer kleine unit, waarbij het dakvlak zo beperkt is dat er nauwelijks meer dan een enkele baan per vlak nodig is, kan de winst van felsplaten met hun precieze baanindeling beperkt zijn. Dan wegen de kosten van het uitwerken van vier afzonderlijke, kleine vlakken met hoekkepers misschien niet op tegen een eenvoudigere oplossing. Ook als een unit slechts voor korte tijd op een locatie staat en daarna weer wordt afgebroken, is het de moeite waard om vooraf af te wegen of de investering in een zorgvuldig uitgewerkt schilddak zich terugbetaalt in die periode. Voor een unit die voor langere tijd blijft staan, of die deel uitmaakt van een groter complex waar meerdere identieke daken naast elkaar liggen, is de zorgvuldige aanpak van baanindeling en hoekkepers wel de moeite waard, omdat een verkeerde aansluiting in een hoekkeper op een schuin dak nu eenmaal moeilijker te herstellen is dan een lek op een plat vlak.
Heeft u een tekening van de unit, met de maten van het dakvlak en de hellingshoek van de vier vlakken, dan kunnen wij daarmee alvast een baanindeling uitwerken die rekening houdt met de hoekkepers en de plek van de gevelrand. Dat meedenken op tekening kost niets, en het scheelt op de bouwplaats zelf een hoop puzzelwerk in de hoeken. Neemt u gerust contact met ons op om te bespreken wat voor uw specifieke unit de beste indeling is.