Klikzink
Een zadeldak is de eenvoudigste kapvorm die er is: twee rechte vlakken die samenkomen in één nok. Geen kilgoten, geen hoekkepers, geen ingewikkelde aansluitingen. Juist door die eenvoud valt bij dit type dak alles op wat niet klopt. Een baan die net niet evenwijdig aan de nok loopt, een overstek die een paar centimeter afwijkt van de andere kant, een goot die niet precies gelijk doorloopt: op een dak met dakkapellen en verspringingen verdwijnt dat in de rest. Op een zadeldak van een paardenstal, waar je van de kopgevel naar de nok in één oogopslag het hele vlak overziet, ziet iedereen het.
Daarbij komt bij een paardenstal iets dat bij een woonhuis of bedrijfshal niet speelt: onder dat dak staan dieren, en onder de nok hangt een klimaat van stof, ammoniak en vocht dat niet vergelijkbaar is met een woonkamer. Een dak dat hier gaat zweten is niet vervelend, het is een risico voor de lucht die paarden inademen. Dat verandert de manier waarop we naar de baanindeling en de details kijken.
Bij een zadeldak lopen de banen felsplaten meestal van de goot naar de nok, over de volle lengte van het dakvlak. Met een werkende breedte van 475 mm en levering op maat tot op de millimeter is de eerste vraag altijd hoe de breedte van het dakvlak zich verhoudt tot een veelvoud van die 475 mm. Past het vlak niet precies, dan verdelen we het verschil over de banen aan beide zijden, zodat je geen half smalle baan tegen de kopgevel krijgt die het oog meteen naar de asymmetrie trekt. Op een stal van bijvoorbeeld 18 meter lang en met een dakvlak van ruim 6 meter diep, betekent dit dat we vooraf op tekening uitrekenen hoe de banen liggen ten opzichte van de gevelopeningen, de eventuele lichtstraten en de nokligging. Dat rekenwerk kost niets en voorkomt dat er op de bouwplaats geïmproviseerd moet worden met een baan die net niet past.
Omdat de platen blind bevestigd worden met klemmen onder de fels, zit er geen zichtbare bevestiging in het vlak. Bij een zadeldak met zijn grote, ononderbroken vlakken is dat winst: er is niets dat de rechte lijnen van de banen doorbreekt. Bij montage op een houten dakconstructie werken we met schroeven in de ondergrond, bij een stalen spantconstructie met zelfborende schroeven. Bij paardenstallen komt beide voor, en de keuze bepaalt mede het detail bij de gording en de kopgevel.
De fels zelf, 35 mm haaks opstaand, moet bij dit soort lange, ononderbroken banen de lengteverandering van het materiaal kunnen opvangen. Staal zet minder uit dan zink, ongeveer de helft, maar bij een baanlengte die van goot tot nok loopt, dus al snel enkele meters, telt ook die kleinere uitzetting mee in de detaillering van de vaste en de bewegende bevestigingspunten. Dat is geen zichtbaar detail, maar wel een detail dat het verschil maakt tussen een dak dat na tien jaar nog strak ligt en een dak dat gaat golven.
De nok van een zadeldak is het punt waar beide dakvlakken samenkomen, en bij een paardenstal is dit vaak ook het punt waar de ventilatie van de stal wordt geregeld. Veel stallen hebben een open nok of een nokventilatiestrook om de vochtige, met ammoniak beladen lucht uit het gebouw te laten ontsnappen. Die opening moet regendicht aansluiten op de felsplaten zonder de luchtstroom te blokkeren. Dat is een ander vraagstuk dan bij een woonhuis, waar de nok simpelweg dicht moet zijn. Bij een paardenstal werken we op tekening samen met de aannemer aan een nokdetail dat lucht doorlaat maar water buitenhoudt, met een overlap die groot genoeg is om opwaaiende wind en slagregen te weerstaan.
De gootrand krijgt bij een zadeldak op een paardenstal ook een andere lading dan bij een woonhuis. Onder de goot staat vaak een buitenrij, een mestplaat of een uitloop, en een gootrand die na een paar jaar gaat lekken of vervuilen door algengroei geeft niet alleen een esthetisch probleem maar ook een hygiënisch probleem net boven de plek waar paarden lopen. De platen worden met een gootlijst afgewerkt die de druprand vormgeeft, en die aansluiting moet zo worden uitgevoerd dat er geen water achter de gevelbekleding of de trespaplaten van de stal kan lopen. Bij een bestaande stal met een houten gevelbetimmering vraagt dat net iets meer aandacht dan bij nieuwbouw, omdat de onderconstructie daar al vastligt en de felsplaten daarop moeten aansluiten in plaats van andersom.
De kopgevels, waar het dakvlak in de windveer overgaat, zijn bij een zadeldak de andere twee randen die opvallen. Een windveer die niet strak evenwijdig aan de laatste baan loopt, trekt op een simpel dakvlak zonder onderbrekingen meteen de aandacht. Hier werken we met een aansluitprofiel dat de laatste felsbaan afwerkt en tegelijk de kopgevel beschermt tegen inwaaiend water, iets dat bij een stal met een open of half open kopgevel eerder een probleem is dan bij een dichte gevel.
Bij een woonhuis is condensvorming onder het dak vooral een comfortkwestie: een vlek op het plafond, een vochtige geur. Bij een paardenstal ligt dat anders. De lucht in een stal bevat vocht uit de ademhaling en de mest van de dieren, en fijn stof uit hooi en strooisel. Slaat dat vocht neer tegen de onderzijde van een koud dakvlak en drupt het terug naar binnen, dan komt dat net boven de dieren en het voer terecht. Dat is een reden om bij een paardenstal vaker te kiezen voor een opbouw met voldoende ventilatie tussen de felsplaten en de onderconstructie, zodat vocht kan wegventileren voordat het gaat condenseren. Bij een geïsoleerde stal speelt dit net weer anders, en dat werken we per situatie uit; een vast recept bestaat hier niet, omdat het afhangt van het aantal dieren, de stalindeling en de bestaande ventilatie.
De coating van de platen, met een dikte van 50 micrometer en een matte afwerking onder een glansgraad van 5, is bestand tegen de gangbare buitenatmosfeer, maar de binnenzijde van het dak, waar de stallucht tegenaan komt, vraagt om een doordachte ventilatieopzet eerder dan om een andere plaat. Met andere woorden: het probleem van ammoniak en vocht wordt niet opgelost door de plaat, maar door de manier waarop het dak wordt opgebouwd en geventileerd. Daar hoort de plaat wel bij te passen, en dat is precies waarom we dit soort details vooraf op tekening doornemen.
In de praktijk gaat het meestal mis op drie plekken: een nokdetail dat wel dicht is maar de ventilatie dichtzet waardoor de stallucht nergens heen kan, een gootrand die is afgewerkt zonder rekening te houden met de vervuiling die van onderaf tegen de gevel spat, en een baanindeling die achteraf is bedacht in plaats van vooraf uitgerekend, met een lelijke restbaan tegen de kopgevel als gevolg.
Een zadeldak is niet automatisch de eenvoudigste keuze als de stal een dakhelling heeft die onder de zes graden ligt; daaronder is een felsplaten dak in deze vorm niet meer toepasbaar en moet er naar een andere dakopbouw gekeken worden. Ook bij een zeer lang, ononderbroken dakvlak zonder enige onderverdeling loont het om vooraf te bekijken of de lengte van de banen en de daarbij horende uitzetting geen probleem geeft bij de vaste bevestigingspunten; in dat geval is een tussenoplossing met een overlap of een langsnaad soms verstandiger dan één ononderbroken baan van goot tot nok.
Wilt u weten hoe de baanindeling en de nokdetaillering voor uw stal uitpakken, dan werken we dat op basis van uw tekening of bouwplan door, zonder dat daar kosten aan verbonden zijn.