Klikzink
Een schilddak heeft geen enkele plat vlak zoals een lessenaarsdak of een zadeldak dat wel heeft. Alle vier de dakvlakken lopen schuin naar binnen, en op elke hoek komen ze samen in een hoekkeper. Bij een schuur of bijgebouw is dat dak meestal klein, laag bij de grond en zonder verwarming erachter. Dat maakt de bouwkundige eisen licht: er is geen dampopen folie nodig voor een verwarmde ruimte, geen zwaar geïsoleerd pakket, vaak alleen tengels op de bestaande gordingen en de plaat erop. Maar het beeld moet wel kloppen, vooral als de schuur naast een woonhuis staat dat ook met felsplaten is gedekt of gaat worden. Een schuur met een slordige hoekafwerking valt op, juist omdat het gebouw klein is en je het van alle kanten in één oogopslag ziet.
Waar bij een zadeldak de nok en de goot de enige lijnen zijn die aandacht vragen, telt een schilddak er twee bij: vier hoekkepers die ieder een eigen snijhoek hebben. Bij een vierkante schuur zijn die hoeken allemaal gelijk, wat het werk voorspelbaar maakt. Bij een rechthoekige schuur, en de meeste bijgebouwen zijn rechthoekig, lopen er twee hoekkepers onder een andere hoek dan de andere twee. De plaatlengtes en de kopsneden per vlak verschillen daardoor, ook al lijkt het dak op het eerste gezicht symmetrisch.
Op een schilddak wordt elk van de vier vlakken los ingedeeld, met de banen van de goot naar de nok. Omdat de vlakken bij de nok samenkomen in een punt of een korte noklijn, worden de platen aan de bovenkant korter en driehoekiger naarmate ze dichter bij de nok komen. Bij een schuur van pakweg zes bij vier meter loopt de kopse gevel met de kortere nok soms in twee of drie banen helemaal dicht, terwijl de lange zijden vijf of zes banen nodig hebben. Wij werken de baanindeling per vlak apart uit op basis van de opgemeten maten, en leveren de platen op maat aangesneden. Voor u betekent dat: geen plaat die op het dak zelf op lengte gezaagd hoeft te worden, en geen restlengtes die als afvalstuk in de hoek belanden.
De volgorde waarin de vlakken gelegd worden maakt verschil voor het aanzicht. Wij leggen de twee lange vlakken meestal als eerste, met de hoekkepers als sluitlijn, en laten de kopse vlakken daar tegenaan sluiten. Zo ontstaat één doorlopende lijn langs de hoek in plaats van een naad die halverwege het vlak stopt.
Aan een rechte goot of een nok valt weinig te verknoeien: de plaat loopt door of wordt afgekant, en dat is het. Bij een hoekkeper ligt dat anders. De felsplaten van twee aangrenzende vlakken moeten hier onder een schuine hoek op elkaar aansluiten, en die hoek is bij een schilddak vaak geen mooie 45 graden maar iets ertussenin, afhankelijk van de verhouding tussen de zijden van het dak. Elke plaat die tegen de keper aankomt, krijgt een eigen schuine kopsnede. Bij een klein bijgebouw met een kap die niet helemaal haaks is opgezet, wat bij oudere schuurtjes regelmatig voorkomt, is die hoek op elk van de vier kepers net anders. Opmeten ter plaatse is dan geen formaliteit maar de enige manier om de plaat goed te laten aansluiten.
De kepers zelf worden afgewerkt met een keperprofiel dat over de twee dakvlakken heen grijpt en de kopse sneden van de felsplaten afdekt. Bij een schuur zonder verwarming is er geen risico op inwendige condensatie via de keper, maar regenwater dat van twee kanten tegelijk richting de keper stroomt wel degelijk. Een keperprofiel dat te smal is uitgevoerd of niet goed aansluit op de fels van de plaat, laat op die plek als eerste vocht door. Bij schuren zien wij dat het meest bij zelfbouw of bij daken die door een timmerman zijn gedekt die vooral in pannen werkt: de plaat wordt netjes gelegd, maar de keperdetaillering krijgt niet de aandacht die hij nodig heeft omdat die op een pannendak simpelweg anders werkt.
Bij een schilddak zonder nok, wat bij een vierkante schuur voorkomt, komen alle vier de vlakken samen in één punt boven op het dak. Daar is geen nokstuk nodig zoals bij een zadeldak, maar een gesloten hoekafwerking waar alle vier de hoekkepers samenkomen. Bij een rechthoekige schuur is er wel een korte nok, en die nok is bij een klein bijgebouw vaak niet langer dan een meter of twee. Een nokstuk van standaardlengte is dan al bijna de hele nok; wij leveren dat stuk op de gevraagde lengte, zodat er geen naad in het midden van een nok van twee meter komt te zitten.
De goot rond een schilddak loopt aan alle vier de zijden door, in plaats van aan twee kanten zoals bij een zadeldak. Bij een laag bijgebouw hangt die goot vaak op ooghoogte of net erboven, wat betekent dat de druiplijn van de felsplaat en de aansluiting op de goot goed zichtbaar zijn vanaf de grond. Een druiprand die net iets te ver naar binnen valt of een goot die niet overal even diep onder de plaat ligt, valt bij een klein gebouw sneller op dan bij een schuur met een nok op vijf meter hoogte.
De meeste schade bij een schilddak op een schuur ontstaat niet in het midden van een vlak, maar in de hoeken. Een hoekkeper die op het oog goed lijkt aangesloten, maar waarbij de plaat net niet diep genoeg onder het keperprofiel doorloopt, laat bij aanhoudende regen water door op precies de plek waar twee dakvlakken water naar toe sturen. Bij een schuur die tegen een muur van het hoofdgebouw aan staat, is er behalve de vier hoekkepers ook nog een aansluiting op die muur, en die twee details samen vragen om helderheid over de volgorde van werken. Wordt de muuraansluiting eerst gemaakt en sluit de hoekkeper daar dan op aan, of andersom? Bij twijfel werken wij dat op tekening uit voordat er een plaat gelegd wordt.
Een tweede terugkerend probleem is de plaatrichting bij de kopse vlakken. Omdat die vlakken bij een schilddak driehoekig aflopen naar de nok, is de verleiding groot om de platen daar horizontaal te leggen in plaats van van goot naar nok. Dat geeft meer naden en meer kans op een lek, juist op het vlak dat het kleinst en dus het minst vergevingsgezind is. Wij leggen ook op de kopse driehoekige vlakken de banen gewoon van goot naar nok, ook als dat betekent dat de laatste baan bij de nok nog maar een paar centimeter breed is.
Heeft u de maten van het dak, inclusief de hoeken van de kepers als die niet haaks zijn, dan kunnen wij de baanindeling per vlak en de lengte van de nok- en keperprofielen voor u uitwerken. Dat meedenken op tekening kost niets, en u weet vooraf hoe de platen per vlak verdeeld worden voordat er iets besteld wordt.