Klikzink
Een mansardedak heeft twee hellingen boven elkaar: een steil onderste vlak en een flauwer bovenvlak. Bij een schuur of bijgebouw is dat vaak een verkleinde versie van de kap op het hoofdgebouw, met dezelfde knik maar dan op een kleiner grondplan en zonder de stookruimte die het hoofdgebouw wel heeft. Die combinatie, klein volume en geen verwarming, verandert weinig aan de fysica van het dak, maar wel aan de manier waarop wij naar de baanindeling en de details kijken. We zetten hier uiteen waar de knik in het vlak om vraagt, waar de randen op een schuur net anders liggen dan op een woonhuis, en in welke gevallen wij een andere oplossing voorstellen dan felsplaten.
De knik zelf is het eerste punt waar de aandacht naar uitgaat. Op de plek waar het steile onderste vlak overgaat in het flauwere bovenvlak, verandert de richting van het water. Een baan felsplaat kan niet zomaar doorlopen over die knik heen; de plaat zou daar moeten buigen in een hoek die niet bij de fabricage past. In de praktijk knippen we de baanindeling op de knik: de onderste vlakken krijgen hun eigen banen, de bovenvlakken hun eigen banen, en op de knik komt een aparte overgang met een eigen daklood of felsverbinding die het water van het bovenvlak overneemt en naar het onderste vlak leidt zonder dat het onder de plaat door kan komen. Bij een schuur van, zeg, vier meter breed is dat een overzichtelijke klus, maar de zorg die erin gaat zitten is niet kleiner dan bij een groot mansardedak. Een knik van een halve meter lengte kan net zo goed lekken als een knik van tien meter.
Op het onderste, steile vlak van een mansardedak lopen de banen doorgaans van de knik naar de dakrand, dus van boven naar onder over de volle hoogte van dat vlak. Bij een schuur is dat vlak vaak niet hoger dan anderhalve meter, wat betekent dat we met relatief korte platen werken. Dat is geen nadeel: felsplaten zijn op de millimeter leverbaar tussen 450 en 8000 millimeter, zodat we de plaat precies op de vlakhoogte laten aansluiten en er geen overlap of restlengte nodig is die bij een langere plaat wel zou ontstaan.
Op het bovenvlak, het flauwere deel, is de keuze afhankelijk van de vorm. Bij een rechthoekige schuur met een nok lopen de banen meestal van de knik naar de nok, aansluitend op de richting van het onderste vlak. Bij een schuur met een piramidevormig bovenvlak, wat bij kleinere bijgebouwen wel voorkomt, moet er in de hoeken gesneden en gepast worden, net als bij een schilddak. Dat snijwerk hoort dan bij de vorm van het dak, niet bij de mansardeconstructie op zich.
De dakhelling van het bovenvlak is een aandachtspunt. Felsplaten zijn toepasbaar vanaf zes graden, en het bovenvlak van een mansardedak zit daar bij een schuur soms dicht tegenaan, vooral als de schuur laag moet blijven en de bouwer geprobeerd heeft zoveel mogelijk inhoud onder het steile vlak te krijgen. Voordat we een indeling voorstellen, vragen we altijd naar de werkelijke hellingshoek van dat bovenvlak. Bij een grensgeval bepaalt die hoek mee hoe we de overlappen en de knikdetaillering uitvoeren; bij een te vlak bovenvlak is een plat dak met opstand soms een eerlijker antwoord dan een fels die net aan de ondergrens hangt.
Bij een schuur zijn de randlengtes kort ten opzichte van het dakvlak. Dat lijkt gunstig, maar het betekent ook dat een verkeerd geplaatst randdetail verhoudingsgewijs meer opvalt en verhoudingsgewijs meer van het totale werk uitmaakt. Een daktrim van een halve meter die net niet aansluit op de gevelbekleding, valt op een schuur van vier bij drie meter sneller op dan diezelfde afwijking op een groot dak.
De overgang naar de gevel is bij een mansardedak vaak minder eenvoudig dan bij een zadeldak, omdat het steile onderste vlak dicht bij de gevellijn begint. Bij sommige schuren loopt het onderste vlak bijna verticaal door in de gevelbekleding, en dan is het een bewuste keuze of de felsplaat daar overgaat in een gevelbekleding van hetzelfde materiaal of dat er een dakgoot en een duidelijke overstek tussen zit. Beide kan met felsplaten, die zijn toepasbaar op dak en gevel, horizontaal en verticaal, maar de keuze moet voor de bouw vaststaan omdat de aansluitdetails verschillen.
De daklijst onderaan, waar het water het dak verlaat, vraagt bij een schuur zonder verwarming extra aandacht voor de doorbuiging van de ondergrond. Een lichte kapconstructie op een bijgebouw is vaak minder stijf uitgevoerd dan die van het hoofdgebouw, met dunnere gordingen omdat er geen zolderbelasting of installaties op rusten. Een felsplaat volgt de ondergrond, en een doorbuigende gording onder de daklijst geeft een golving die je op de rechte lijn van de rand goed ziet. Wij vragen daarom altijd naar de dikte van de onderconstructie voordat we de baanlengte en de bevestiging vastleggen; bij twijfel is een extra steunpunt goedkoper dan een golvende rand die achteraf niet meer te verhelpen is zonder de bekleding open te maken.
De meeste klachten die wij achteraf horen over mansardedaken op schuren gaan niet over lekkage op het rechte vlak, maar over de knik en de hoeken. Als de knikdetaillering te laat in het proces wordt bedacht, in plaats van al bij de baanindeling, ontstaat er een oplossing die wel waterdicht is maar niet recht aansluit op de plaatindeling erboven en eronder. Je ziet dan een zichtbare sprong in de belijning op de knik, terwijl de bedoeling van een fels net is dat de lijnen doorlopen. Bij een schuur die naast het hoofdgebouw staat en in dezelfde kleur is uitgevoerd, valt zo'n sprong sneller op dan bij een schuur die op zichzelf staat, juist omdat het oog de twee gebouwen naast elkaar leest.
Dat raakt aan de tweede reden waarom een mansardedak op een schuur een eigen afweging vraagt: de eisen aan het gebouw zelf zijn licht, er is geen verwarming en de belasting op de constructie is beperkt, maar het beeld moet kloppen bij het hoofdgebouw. Een schuur met een mansardekap staat daar zelden op zichzelf; hij is bijna altijd de kleine broer van een woonhuis met dezelfde kapvorm. Wij houden daar bij de kleurkeuze rekening mee: de drie kleuren die wij leveren, Nordic Night Black, Slate Grey en Metallic Dark Silver, zijn alle drie mat met een glansgraad onder de 5, wat helpt om de schuur rustig te laten aansluiten bij een hoofdgebouw dat in een ander materiaal is uitgevoerd. Een felsplaat die te veel glimt naast een mat pannendak op het hoofdgebouw, trekt de aandacht juist naar het bijgebouw, wat meestal niet de bedoeling is.
Een andere fout die we regelmatig tegenkomen is dat de knik in het vlak wordt aangezien voor een gewone plaatovergang, waarbij de plaat gewoon rechtdoor gemonteerd wordt met een overlap zoals op een recht vlak. Dat werkt kortstondig, maar de knik vangt water op een andere manier op dan een recht vlak, en zonder een aparte oplossing voor die knik verzamelt zich daar vocht dat via de felnaad naar binnen kan trekken. Bij een schuur zonder verwarming merk je dat niet meteen aan condens binnen, zoals bij een woonhuis, maar aan houtrot in de gording op de langere termijn, wat vaak pas ontdekt wordt als de plaat er al een tijd op ligt.
Bij een schuur met een heel kort bovenvlak, waarbij het mansarde-effect eigenlijk niet meer is dan een afgeschuinde rand boven een verder steil dak, is de knik zo klein dat de extra detaillering niet in verhouding staat tot de rest van het werk. In dat geval kan een eenvoudiger dakbedekking op het korte bovenvlak, gecombineerd met felsplaten op het grote onderste vlak, praktischer zijn dan het hele dak in fels uitvoeren. Ook als het bovenvlak zo vlak is dat de helling structureel onder de zes graden zakt, geven wij liever een ander advies dan een fels die op de grens van het toepassingsgebied ligt.
Wilt u weten hoe de indeling voor uw schuur uitpakt, dan kunt u een tekening van het mansardedak naar ons opsturen. Wij kijken naar de hellingshoeken, de knik en de aansluiting op het hoofdgebouw, en geven aan waar de baangrenzen en de knikdetaillering het beste komen te liggen. Dat meedenken op tekening kost niets.