Klikzink
Bij een kantoorunit is de ondergrond onder de felsplaten geen vrije keuze zoals bij een woning of een loods. De unit is in de fabriek gemaakt, heeft een vast raster van stalen liggers of houten balken, en een dakoppervlak dat vrijwel altijd vlak of nagenoeg vlak is. Dat verandert de vraag. Het gaat niet om welke ondergrond het beste is in het algemeen, maar om wat er al ligt en hoe de felsplaten daar blind op vastkomen zonder dat de fabrieksmaat van de unit in de weg gaat zitten.
Een kantoorunit is gebouwd op een chassis, met een dakconstructie die is afgestemd op transport en stapeling. Het dakvlak is vaak een stalen frame met daarop platen, of een dun houten dek op stalen liggers. Er is bijna nooit een traditionele houten dakconstructie zoals bij een woning, met kepers en tengels die ruimte geven om iets aan te passen. Bij een unit werkt u met wat er is, en dat is precies waarom deze vraag hier anders beantwoord moet worden dan op een pagina over felsplaten in het algemeen.
Sommige units hebben een houten dakbeschot, meestal multiplex of OSB, aangebracht op de stalen dakliggers van het frame. Als dat beschot er ligt en droog en vlak is, is bevestiging met schroeven direct mogelijk, net als bij een houten dak op een gewone loods. De klemmen onder de fels worden dan in het hout verankerd, en verder is er weinig bijzonders aan de hand. Het punt waar het wel op aankomt bij een unit: het beschot moet de volledige oppervlakte dragen, ook op de plek waar units aan elkaar gekoppeld worden of waar een luchtbehandelingskast op het dak staat. Bij een gestapelde unit met een tussenvloer die ook een dak is, controleren we altijd of het beschot doorloopt tot aan de rand, want fabrikanten laten daar soms een strook weg om gewicht te besparen. Ontbreekt die strook, dan moet er eerst een randstrook bijgezet worden voordat de eerste plaat erop kan.
Bij veel kantoorunits is het dakvlak zelf van staal: een geprofileerde plaat die het frame afdekt en die zowel drager als afwerking is geweest voordat er iets overheen kwam. Op staal werken we met zelfborende schroeven die direct door de klem in de stalen plaat draaien. Dat vraagt om voldoende plaatdikte van de ondergrond, want een te dun stalen dek geeft de schroef geen grip en de klem geen stevigheid. Bij een unit die twintig jaar oud is en al eens is verplaatst, is die stalen ondergrond soms plaatselijk gecorrodeerd op plekken waar water heeft gestaan door een verstopte afvoer. Op zo'n plek is de plaat te dun geworden voor een betrouwbare bevestiging, en dan is plaatselijk herstel nodig voordat wij verder gaan. Een aannemer die het dak van de unit inspecteert vóór de felsplaten besteld worden, bespaart zichzelf een vervolgafspraak.
Beton komt bij een losse kantoorunit weinig voor, maar wel bij een unit die op een betonnen fundering of een betonnen tussenvloer is gezet, zoals bij een permanente unit die als bijgebouw naast een bestaand pand staat. Op beton werken we met een houten regelwerk dat op de betonvloer wordt bevestigd, waarna de felsplaten op dat regelwerk komen. Dat regelwerk zorgt ook voor de ventilatieruimte onder de plaat, wat op een vlak dak van een kantoorunit belangrijker is dan op een hellend dak, omdat een vlak vlak minder van nature afwatert en langer vocht kan vasthouden onder de plaat als er geen luchtspouw is.
Wat deze pagina verder onderscheidt van een gewoon gebouw is de fabrieksmaat. Een kantoorunit heeft een standaardbreedte, vaak rond de drie meter, en een lengte die in vaste stappen oploopt. Omdat felsplaten op de millimeter geleverd worden, past de plaatverdeling zich aan die maat aan in plaats van andersom. Bij een woning of loods wordt het dakvlak vaak zo ontworpen dat de platen mooi uitkomen; bij een unit ligt de maat al vast voordat de felsplaten besteld worden, en de indeling volgt daaruit. Een aannemer die twee of drie units aan elkaar koppelt tot één kantoorgebouw krijgt dus te maken met een doorlopend dakvlak dat uit meerdere fabrieksmaten is samengesteld, met een naad op de plek waar de units tegen elkaar staan. Die naad moet in de ondergrond al voorzien zijn van een drager die stevig genoeg is om daar een felsnaad of een overlap op te laten rusten, anders verzakt de plaat net op de koppeling.
Bij een school die uitbreidde met vier gestapelde kantoorunits als extra klaslokalen, lag onder de bovenste laag een stalen dek van iets meer dan een millimeter dik, precies genoeg voor de zelfborende schroeven. Onder de onderste laag, die als fundering diende, lag een betonnen plaat waarop de units met stelvoeten stonden; die vloer was niet relevant voor het dakwerk, maar de tussenvloer tussen de twee lagen units was dat wel, want die diende als dak voor de onderste laag ter plaatse van een overkapping. Daar lag een dun stalen dek dat plaatselijk was ingedeukt door montagewerk, en dat moest gecorrigeerd worden voordat de klemmen goed konden aansluiten. Zonder die controle vooraf was de plaat op die plek gaan resoneren bij wind, iets wat pas achteraf opvalt en dan lastiger te verhelpen is.
Is de ondergrond van de unit een dun bitumineus dakvlak zonder drager die stevig genoeg is om schroeven of klemmen te dragen, dan is een directe bevestiging niet verantwoord. Dat komt voor bij oudere, goedkopere units waar het dak feitelijk een dunne stalen huid met een bitumen deklaag is en verder niets. In dat geval is eerst een drager nodig, meestal een houten regelwerk dat aan de bestaande dakrand of aan de stalen liggers wordt vastgezet, voordat er felsplaten op kunnen. Is de unit tijdelijk geplaatst voor een periode van een paar jaar en gaat ze daarna weer verplaatst worden, dan is het de moeite waard om samen met ons af te wegen of het gewicht van een nieuwe drager en felsplaten opweegt tegen die kortere gebruiksduur; bij een permanente of langdurige plaatsing ligt dat vaak anders dan bij een unit die elk jaar naar een andere bouwplaats gaat.
De eenvoudigste manier om zekerheid te krijgen is een foto van het dakvlak van uw unit, van dichtbij en van een afstand, samen met het bouwjaar en de fabrikant als u die weet. Daarmee kunnen wij op tekening meekijken wat voor drager er onder de plaat nodig is, en welke platen op de fabrieksmaat van uw unit passen. Dat meedenken kost niets, en voorkomt dat er op de bouwplaats alsnog een dag stilgelegen wordt omdat de ondergrond niet aansluit op wat er besteld is.