Klikzink
Een jachthavengebouw heeft meestal meer doorvoeren dan een gewone loods of woning. Er zit een schoorlijn van de kantine doorheen, een afzuigkanaal van de werkplaats, een ventilatiebuis van de sanitairruimte, soms een lichtkoepel boven de trapopgang en bijna altijd een paar dakramen boven de kantoorruimte met uitzicht op de haven. Elk van die doorbrekingen is een punt waar de felsplaat stopt en iets anders begint. Op papier is dat een detail. In de praktijk is het de plek waar een dak na een paar jaar begint te lekken, en bij een gebouw aan open water gaat dat proces sneller dan mensen denken.
Een felsdak is waterdicht omdat de banen aan elkaar gefelst zijn: de opstaande rand van de ene plaat klikt in de volgende, en water dat over het dak loopt komt nooit bij een naad terecht die tegen de stroomrichting in ligt. Zodra u een doorvoer in dat vlak zet, doorbreekt u dat principe. Rond een ronde buis of een rechthoekige lichtkoepel kan de plaat niet meer gewoon doorlopen; er moet een aansluiting komen die het water alsnog om het obstakel heen leidt in plaats van ertegenaan.
Bij een schoorsteen of afzuigkanaal werkt dat met een opkant: een stalen kraag rond de buis, hoog genoeg dat opstuwend water er niet overheen komt, met een sluitstuk dat aan de bovenzijde op de fels aansluit en aan de zijkanten in het felsprofiel meeloopt. Bij een dakraam ligt het anders, omdat een dakraam een eigen kader heeft met een eigen aansluitprofiel van de fabrikant. De felsplaat moet daar met een underlayment en een inkeping op aansluiten, niet er los tegenaan geschoven worden. Doet een dakdekker dat uit het oog, dan zit het lek niet in de plaat maar in de naad tussen plaat en kaderprofiel, en die vindt u vaak pas terug als er al vocht in de isolatie zit.
Bij een gebouw in het binnenland is een doorvoer een aansluitdetail dat u één keer goed uitvoert en daarna vergeet. Bij een jachthavengebouw is dat niet zo, en dat komt niet door het dakvlak zelf maar door wat er op de doorvoerkraag, de kitvoeg en het klemmateriaal terechtkomt. Wind vanaf open water brengt fijne druppels zout water mee die niet alleen op het dakvlak neerslaan, maar met een schuine hoek ook tegen opstaande randen aan slaan: precies de plekken waar een doorvoerkraag, een lichtkoepelrand of een dakraamkader staat. Die opstaande delen krijgen dus verhoudingsgewijs meer belasting dan het vlakke dakdeel ertussen.
Een kitvoeg of een blank stalen randje dat op een gewoon dak jarenlang meegaat, kan hier sneller gaan werken: kit verhardt en scheurt door de combinatie van zoutbelasting en uv, en onbehandeld of dun gecoat staal begint aan de randen te putten voordat de rest van het dak daar iets van laat zien. Dat is de reden dat de coatingkeuze bij dit gebouw niet los staat van de doorvoerdetaillering. Een plaat met een dunne of matte industriële laag kan het op het vlakke deel van het dak nog jarenlang uithouden en tegelijk bij de randen van een dakraam al slijtage tonen, omdat daar meer zout blijft hangen en minder snel wordt afgespoeld door regen.
Onze felsplaten hebben een organische coating van 50 micrometer, GreenCoat Pural BT, aan beide zijden verzinkt staal onder die laag. Bij een havengebouw is die laag niet een kwestie van kleur of uitstraling, maar van hoe lang de randen om een doorvoer heen hun weerstand houden. Het is dezelfde plaat die op het grote vlak ligt en die wij om de doorvoerkraag heen buigen of waar de klemmen voor het dakraamkader op vastzitten. Er is dus geen apart, zwakker materiaal nodig voor die kwetsbare stukken: de plaat die tegen de wind vanaf het water bestand moet zijn, is exact de plaat die u om de schoorsteen of langs het dakraam ziet lopen.
Dat is meteen ook waarom het weinig zin heeft om voor de doorvoeren zelf een goedkoper of ander plaatmateriaal te kiezen, zoals wel eens gebeurt bij aluminium randafwerkingen of gegalvaniseerde loodslabben. Materiaal dat niet dezelfde weerstand heeft als de rest van het dak, is precies op de plek die het meest belast wordt het eerst aan vervanging toe. Bij een gebouw verder van de kust maakt dat verschil minder uit; bij een havengebouw is het vaak het eerste dat zichtbaar verweert.
Bij de meeste havengebouwen werken wij met een vaste volgorde: eerst wordt bepaald waar de doorvoer in het felspatroon valt, bij voorkeur midden in een baan en niet op een felsnaad, omdat een naad daar minder ruimte geeft voor een goede kraagaansluiting. Rond de doorvoer komt een stalen kraagplaat van dezelfde coating, die aan de bovenzijde onder de volgende baan doorloopt en aan de onderzijde over de baan eronder heen valt, zodat water altijd van boven naar onder over de kraag wegloopt en nooit ertegenin. Bij een dakraam werken wij met het aansluitprofiel van de raamfabrikant en passen de felsbanen daar met een inkeping op aan, in plaats van de plaat er los overheen te leggen.
Omdat onze platen op de millimeter geleverd worden, kunnen wij de doorvoerpositie al in de werktekening meenemen, zodat er op het dak zelf geen lapwerk nodig is om een baan rond een schoorsteen of ventilatiekanaal te passen. Dat meedenken op tekening kost niets en voorkomt dat een dakdekker op locatie met een te korte of te brede baan blijft zitten bij precies het punt waar de detaillering het nauwst moet zijn.
Niet elke positie is een goede positie. Een doorvoer vlak bij de dakrand, waar de wind vanaf het water het hardst aankomt en waar het meeste opspattende zout terechtkomt, is een minder gunstige plek dan een doorvoer wat verder het dakvlak op. Ook een lichtkoepel die in de looprichting van de heersende wind ligt, vangt meer druppels dan een koepel die er dwars op staat. Bij nieuwbouw is dat nog te sturen door de positie van dakramen en kanalen in het ontwerp mee te nemen; bij een bestaand gebouw ligt die keuze meestal al vast en moet de detaillering het verschil maken.
Er zijn ook situaties waarin een doorvoer beter niet in het felsdak zelf komt, maar bijvoorbeeld in een gevelwand of een aangebouwd volume. Grote afzuigkanalen van een werkplaats, die een forse kraaghoogte nodig hebben, zijn op een steil dakvlak beter te maken dan op een vlak dak met weinig helling, waar water minder snel wegloopt en langer op de kraag blijft staan. Bij een dakhelling onder de zes graden raden wij doorvoeren met een lage kraag sowieso af, los van de zoutbelasting.
Wilt u een dakraam of doorvoer laten meenemen in een nieuw felsdak op uw jachthavengebouw, dan kunnen wij op basis van een tekening of een schets van de bestaande situatie aangeven waar de aansluiting het beste valt en welke kraagdetaillering daarbij past. Dat overleg kost niets en voorkomt dat een detail dat op een ander gebouw geen probleem zou zijn, hier alsnog de eerste plek wordt waar het dak aandacht nodig heeft.