Klikzink
Van een afstand is het verschil tussen echt zink en onze stalen felsplaten moeilijk te zien. Beide hebben een fels, beide zijn mat grijs of donker, beide liggen in banen. Op een dakkapel, waar het vlak maar enkele vierkante meters groot is en van de straat af goed te overzien, komt het verschil toch naar voren. Niet in het aanzicht, maar in hoe het materiaal zich in dat kleine vlak gedraagt en hoe de banen erop uitkomen.
Het begint bij een eigenschap die bij een groot dak nauwelijks opvalt: uitzetting. Zink zet aardig uit bij temperatuurwisseling, staal ongeveer half zo veel. Op een schuur van vijftien meter lang merkt u dat verschil in de detaillering aan de randen. Op een dakkapel van twee meter breed is de absolute uitzetting van beide materialen al zo klein dat het voor de constructie weinig verschil maakt. Voor dit gebouw is dat dus niet de reden om voor het ene of het andere materiaal te kiezen. Wij zeggen dat liever eerlijk, ook al is het een eigenschap die vaak als verkoopargument voor staal wordt genoemd: bij een dakkapel speelt het gewoon geen grote rol.
Wat op een dakkapel wél verschil maakt, is de maat waarin de platen komen.
Zink wordt vaak op de bouwplaats of in een zinkwerkplaats op maat gemaakt, in banen die de zinkwerker ter plekke afstelt. Onze felsplaten worden in de fabriek op de millimeter gewalst, van 450 tot 8000 millimeter breed. Dat klinkt als een detail, maar bij een dakkapelvlak van bijvoorbeeld 2,80 meter breed is het verschil tussen op maat laten walsen en met standaardbreedtes werken precies het verschil tussen een symmetrische baanindeling en een vlak met een smal randstrookje aan één kant. Bij een groot dak van twintig meter breed valt een oneven laatste baan van dertig centimeter niet op. Bij een dakkapel, waar de kijkafstand klein is en het hele vlak in één oogopslag te zien is, valt zo'n randstrook meteen op. Dat is de reden dat wij bij dakkapellen altijd eerst de breedte van het vlak opmeten en daar de baanbreedte op laten aansluiten, in plaats van een standaardmaat te leveren en de rest bij te knippen.
De fels zelf, 35 millimeter hoog en haaks opstaand, is bij zink en bij onze platen vergelijkbaar van vorm. Het verschil zit in de plaatdikte en het gewicht. Onze felsplaten zijn 0,55 millimeter dik en wegen ongeveer 5 kilo per vierkante meter. Zink wordt doorgaans dikker gewalst en is aanzienlijk zwaarder. Op een groot dakvlak met een stevige onderconstructie maakt dat gewichtsverschil weinig uit. Op een dakkapel, waar de onderconstructie vaak lichter is opgezet omdat het vlak klein is, telt elke kilo net iets meer mee. Dat is geen argument om zink af te raden, maar het is wel iets waar een aannemer die de sporen van de dakkapel al heeft liggen naar moet kijken voordat de keuze definitief is.
Dan de kleur en de coating. Zink krijgt zijn karakteristieke grijze kleur door natuurlijke oxidatie, een proces dat jaren duurt en waarbij de kleur in het begin ongelijk kan verspringen, met vlekken en verkleuringen die vooral in de eerste periode zichtbaar zijn. Bij een groot dak vervaagt dat in het totaalbeeld. Bij een dakkapel, die vaak op ooghoogte of net erboven hangt en van dichtbij bekeken wordt, is die begingroei van de patina goed te volgen, en niet iedereen vindt dat prettig op een vlak dat zo dicht bij het oog van de bewoner zelf ligt. Onze felsplaten hebben vanaf de eerste dag een egale kleur, in Nordic Night Black, Slate Grey of Metallic Dark Silver, allemaal mat met een glansgraad onder de 5. Er is geen inloopperiode. Wie liever de levendigheid van natuurlijk verouderend zink ziet, moet dat argument dus zwaarder laten wegen dan bij een groot dak, want op een dakkapel is dat verouderingsproces nu eenmaal een blikvanger op zichzelf.
De bevestiging is bij beide materialen vergelijkbaar: blind onder de fels geklemd, geen zichtbare schroeven in het zicht. Op het houten dakbeschot van een dakkapel werkt dat met schroeven onder de klemmen, op een stalen ondergrond met zelfborende schroeven. Dat verschil zit dus niet in zink versus staal, maar in de ondergrond van uw dakkapel, en dat weegt bij beide materialen even zwaar.
Er is één praktische reden waarom staal op een dakkapel vaker wordt gekozen dan zink, en dat is de plaatbreedte in combinatie met koud vervormen. Onze platen zijn tot -15 graden koud vouwbaar, wat betekent dat de kraal aan de randen van een klein vlak, bijvoorbeeld bij de overgang naar de zijkanten van de dakkapel, ook bij winterse temperaturen zonder verwarmen te zetten is. Bij zink is dat afhankelijk van de dikte en de legering ook mogelijk, maar de marge is smaller. Voor een dakkapel die in een ongunstig seizoen gedekt moet worden, is dat een reëel verschil in planning, niet in uiterlijk.
Er zijn situaties waarin wij zelf zink zouden aanraden boven onze eigen platen. Als de dakkapel onderdeel is van een pand waar de rest van het dak, of het hoofdgebouw ernaast, al in zink is uitgevoerd, dan is doorlopen in zink vaak het aanzien waard, ook al is het duurder en trager in de aanleg. Bij een monumentaal pand of een pand in een beschermd stadsgezicht kan de welstandscommissie specifiek zink voorschrijven, en dan is de discussie over baanindeling of gewicht niet meer relevant. En wie de natuurlijke verkleuring van zink als kwaliteit ziet in plaats van als nadeel, kiest terecht voor zink, want dat is een smaak die wij niet voor u kunnen overrulen met een technisch argument.
Als u de breedte en hoogte van het dakkapelvlak doorgeeft, rekenen wij de baanindeling door zodat de platen symmetrisch op het vlak uitkomen, zonder smalle restbaan aan de zijkant. Dat meedenken op tekening kost niets, en u ziet vooraf hoe de indeling op uw dakkapel uitpakt voordat er een plaat gewalst wordt.