Klikzink
Bij een villa met een groot, zichtbaar dakvlak komen zonnepanelen er meestal niet los bij. Ze horen bij het ontwerp, net als de dakbedekking zelf. Dat vraagt om een andere volgorde van beslissen dan bij een schuur of een loods, waar de panelen erop gaan zodra het dak klaar is en verder niemand ernaar kijkt. Bij een villa vanaf de weg te zien, ligt de vraag eerder: hoe verdeelt u de banen zodat de panelen daar precies op aansluiten, en hoe bevestigt u ze zonder de plaat te doorboren.
Op een felsdak hoeft dat laatste geen probleem te zijn. De panelen worden niet vastgeschroefd door de plaat heen, maar geklemd op de opstaande fels. De klem grijpt om de 35 millimeter hoge rand die de banen met elkaar verbindt, en daar hangt de draagrail van het paneelsysteem aan. Er wordt niets doorboord, er komt geen kit of afdichting bij, en het dakoppervlak blijft intact. Dat is een andere aanpak dan bij pannen, waar vaak haken tussen de pannen door of eromheen gezet worden, met een risico op een lek dat pas na een winter zichtbaar wordt.
Bij een gewoon woonhuis is de bevestigingsmethode vooral een technische keuze: de installateur bepaalt welk klemtype past bij de felshoogte en gaat aan de slag. Bij een villa met een dakvlak dat in zijn geheel vanaf de straat of vanaf de oprit te overzien is, wordt die keuze ook een zichtbare. De klemmen zelf zijn nauwelijks te zien, maar de rijen panelen liggen wel in het verlengde van de banen, en die banen liggen op hun beurt evenwijdig aan de daklijn. Als dat niet klopt, valt het op. Een schuin wegvallend paneelveld op een verder strak gelegd dak trekt de aandacht, en niet op een goede manier.
Daarom loont het om bij een villa de paneelindeling te tekenen voordat de eerste baan felsplaat gewalst wordt. Onze platen worden op maat geleverd, op de millimeter, in werkende breedten tot 475 millimeter en lengtes tot 8000 millimeter. Dat betekent dat de baanindeling niet vastligt aan een standaardmaat: u kunt de breedte van de banen laten meebepalen door de maat en de rijafstand van de panelen die op het dak komen. Bij een schilddak met vier vlakken en twee kepers, of bij een dak met een flauwe knik, is dat afstemmen nog belangrijker, omdat elk vlak zijn eigen aansluiting op de paneelrijen krijgt.
Het werk loopt in een andere volgorde dan wanneer de zonnepanelen achteraf, als los project, op een bestaand dak gezet worden. Eerst wordt de beoogde opstelling van de panelen vastgelegd: hoeveel rijen, welke richting, hoeveel ruimte tot de daklijn en de goot. Vervolgens wordt de baanindeling van de felsplaten daarop afgestemd, zodat de felsen op regelmatige afstand onder de paneelrijen liggen en de klemmen op een logische plek grijpen. Pas daarna gaat de plaat de wals in en wordt die op maat geleverd en gemonteerd. Als de panelen er pas na de daklegging bij komen, moet de installateur werken met de felsafstand die er nu eenmaal ligt, en dat geeft minder vrijheid in de opstelling.
Er is nog een praktische reden om dit vooraf te regelen: de plaat zet uit en krimp met temperatuur, ook al is dat bij staal ongeveer half zoveel als bij zink. De klemmen op de fels zijn daarop ingericht, ze schuiven mee zonder dat het paneel zelf meebeweegt. Wie achteraf een systeem kiest dat niet voor deze beweging ontworpen is, loopt het risico dat de klem op termijn los gaat zitten. Dat is dus geen kwestie van de plaat zelf, maar van het bevestigingssysteem dat erbij gekozen wordt.
Bij een doorsnee woonhuis met een zadeldak van, zeg, veertig vierkante meter, valt een verspringing van een paneelrij minder snel op: het dak is vanaf de straat maar deels te zien, of het huis staat tussen andere huizen die het beeld al breken. Bij een villa op een ruim perceel, met een dak dat in één oogopslag te overzien is vanaf de oprit of vanaf de weg, ligt dat anders. Daar is de baanrichting, de plaatbreedte en de plek van de panelen samen één beeld, en dat beeld is precies wat een architect of de eigenaar bij de start van het project heeft vastgelegd. Wij denken in die fase mee op tekening; dat kost niets, en het voorkomt dat de paneelopstelling en de plaatindeling elkaar achteraf tegenwerken.
Een ander verschil is het gewicht en de looppaden op het dak tijdens de montage. Bij een groot, aaneengesloten dakvlak lopen installateurs een langere afstand over de plaat om bij de rijen panelen te komen. De platen wegen ongeveer 5 kilo per vierkante meter en zijn stevig genoeg om op te lopen met de juiste voorzorg, maar bij een villa met veel vierkante meters dakvlak is het verstandig om vooraf een looproute te bepalen die niet dwars over net gemonteerde klemmen gaat.
Deze combinatie werkt goed bij een rechte dakhelling met voldoende vlakke oppervlakte voor een geordende paneelopstelling. Bij een dak dat sterk gebogen is, of bij een dakvlak dat opgedeeld is in veel kleine facetten, wordt het afstemmen van baanindeling op paneelrijen een stuk lastiger: elk facet heeft dan zijn eigen korte banen, en een paneelveld dat over meerdere facetten loopt, sluit nergens netjes aan. In dat geval is het vaak beter om de panelen te concentreren op het grootste, vlakste dakdeel en de rest van het dak plaatindeling te laten volgen zonder rekening te houden met paneelrijen.
Ook bij een dakhelling die net aan de ondergrens zit, rond de zes graden, is voorzichtigheid geboden: bij zo'n vlak dak liggen de panelen zelf vaak op een verhoogd frame om de juiste hoek naar de zon te krijgen, en dat frame brengt een ander soort belasting op de klemmen dan een systeem dat vlak op de fels aansluit. Dat vraagt om een klemtype dat daarvoor geschikt is, en niet elk systeem is dat.
Wie deze combinatie overweegt voor een villa, kan het beste beginnen met de tekening: hoeveel rijen panelen, in welke richting, en op welk dakvlak. Daarmee kunnen wij de baanbreedte en de plaatindeling bepalen die daarbij past, voordat de plaat gewalst wordt.