Klikzink

Felsplaten op een kapschuur op veengrond

Veengrond zet. Niet overal even snel, en niet altijd evenveel onder elke poer. Een kapschuur staat meestal op een beperkt aantal fundatiepunten, met een grote open overspanning ertussen. Als één poer wat meer zakt dan de andere, gaat de hele kapconstructie een fractie schuintrekken. Dat is geen fantasie van een constructeur die het zekere voor het onzekere neemt; het is iets wat we terugzien bij schuren die twintig, dertig jaar op veen staan en waarvan de nok niet meer helemaal recht is. De vraag is niet of dat gebeurt, maar wat het dakvlak daarmee moet kunnen.

Een dakbedekking die star aan de ondergrond vastzit, gaat scheuren op precies de plek waar de beweging het grootst is: bij de nok, bij een gording die net iets meer meezakt, bij de overgang naar de gevel. Bitumen scheurt daar. Vezelcement breekt daar. Felsplaten doen dat niet, en de reden is simpel: de banen liggen los op de gordingen en zijn alleen vastgezet met klemmen onder de fels. Er zit geen schroef dwars door de plaat die de plaat dwingt om exact op zijn plek te blijven. Als de constructie een paar millimeter vervormt over de lengte van een baan, kan de plaat die beweging opnemen zonder dat de bevestiging scheurt of lekt. Dat is niet omdat het materiaal rekbaar is in de zin van elastisch; het is omdat de bevestigingsmethode ruimte laat.

Dit is meteen ook de grens van het argument. Bij extreme, ongelijkmatige zetting, waarbij een deel van de constructie echt gaat hangen, helpt geen dakbedekking. Dan is het probleem de fundering en niet het dakvlak, en moet dat eerst worden aangepakt. Felsplaten maken een wat grillige zetting van een paar millimeter per jaar onschadelijk voor het dak; ze maken een verzakkende kapschuur niet weer recht.

Grote overspanning, ruime gordingafstand

De meeste kapschuren op veengrond zijn open gebouwen: geen tussenwanden, geen binnenmuren die de kapconstructie extra houvast geven. Om die ruimte vrij te houden, staan de spanten ver uit elkaar en liggen de gordingen daartussen op een ruimere afstand dan in een dichte schuur met veel steunpunten. Dat is een bewuste constructieve keuze, geen fout, maar het betekent dat de dakplaat een grotere vrije overspanning tussen twee steunpunten moet dragen, en dat die plaat meebeweegt met elke vervorming van de gording zelf.

Felsplaten worden op maat gewalst, van 450 tot 8000 millimeter, en dat is bij dit type schuur relevant, niet als extra service maar als onderdeel van de oplossing. Een lange, ononderbroken baan van goot tot nok heeft geen kop- of lengtenaad die op een kwetsbaar punt in de overspanning valt. Bij een schuur met bewegende constructie is elke naad een plek waar krachten samenkomen. Hoe minder naden, hoe minder plekken waar dat kan gaan schuren of lekken. Bij een ruime gordingafstand is het dus vooral belangrijk om de plaatlengte af te stemmen op de werkelijke afstand tussen de steunpunten, niet op een standaardmaat. Dat vraagt om een tekening vooraf en een opgave van de exacte gordingmaten; wij denken daar zonder kosten in mee, precies omdat een verkeerd ingeschatte lengte hier een net iets andere fout oplevert dan bij een dichte schuur met korte overspanningen.

Condens is hier de hoofdvraag, niet de wind

Bij een open, ongeïsoleerde kapschuur op veengrond is de belangrijkste vraag niet hoeveel het gebouw beweegt, maar wat er onder de plaat gebeurt met vocht. Veengrond is vaak nat, de bodem verdampt, en in een gebouw zonder isolatielaag en zonder afgesloten binnenklimaat trekt die vochtige lucht vrij op naar het dakvlak. Aan de onderkant van een koude stalen plaat condenseert die lucht zodra de temperatuur genoeg daalt, net zoals op de buitenkant van een koud glas. Bij een dichte, geïsoleerde schuur wordt dat probleem opgelost in de dakopbouw, met een dampremmende laag en isolatie die het temperatuurverschil wegneemt. Bij een open kapschuur zonder isolatie is die laag er niet, en moet het condensvocht een andere weg krijgen.

De gebruikelijke oplossing is een condensfolie of anti-condensvlies aan de onderzijde van de plaat, dat het condensatievocht opvangt en tijdelijk vasthoudt tot het weer verdampt bij een volgende temperatuurstijging. Dat is geen overbodige toevoeging bij dit gebouwtype; het is bij een ongeïsoleerde, open schuur op vochtige grond eerder de regel dan de uitzondering. Zonder die laag druppelt het condensvocht simpelweg naar beneden, op het opgeslagen hooi, het landbouwwerktuig of de vloer die eronder staat. Dat gebeurt niet ineens bij een storm; het gebeurt geleidelijk, op heldere nachten met een groot temperatuurverschil tussen dag en nacht, en juist daardoor wordt het vaak pas na een tijdje opgemerkt, als er al vlekken of schade zijn.

Hier is meteen een grens te trekken: als de schuur wél wordt gebruikt voor iets waar een stabiel binnenklimaat toe doet, zoals opslag van gevoelig materiaal of een werkruimte, dan is een condensfolie niet genoeg en ligt isolatie meer voor de hand. Dat verandert de hele dakopbouw en is een andere afweging dan wat hier aan de orde is. Voor een kapschuur die droge opslag of machinestalling blijft, met af en toe wat vocht dat mag verdampen zonder dat het iets beschadigt, is een condensfolie onder de plaat meestal voldoende en is er geen reden om verder te isoleren.

Gewicht en fundering

Een kapschuur op veen heeft doorgaans een lichte fundering, precies omdat de bodem weinig draagvermogen heeft en een zwaardere fundering meer zou zakken. Dat maakt het gewicht van de dakbedekking relevant, niet als doorslaggevend argument maar als iets wat meespeelt. Felsplaten wegen ongeveer 5 kilogram per vierkante meter, aanzienlijk minder dan dakpannen. Bij een schuur waarvan de spanten al berekend zijn op een lichte belasting, of bij een bestaande constructie die niet extra belast mag worden, is dat een reden om bij het lichtste type dakbedekking te blijven. Bij een nieuw ontworpen constructie met voldoende draagvermogen maakt het gewichtsverschil intern weinig uit voor de fundering; de constructeur rekent dan toch met een marge. Het is dus vooral bij bestaande, al wat oudere kapschuren met een krappe fundering dat het gewicht een reëel argument is, niet bij elke nieuwbouwschuur op veen.

Wat dit betekent voor de keuze

Bij een kapschuur op veengrond is de combinatie van drie dingen bepalend: een constructie die kan gaan bewegen door ongelijke zetting, een grote overspanning met wijd uiteenstaande gordingen, en een open, ongeïsoleerd binnenklimaat waarin condens de kans krijgt zich op te hopen. Felsplaten met klikfels passen daar goed bij omdat de bevestiging beweging toelaat en de platen op de exacte gordingmaat kunnen worden gewalst. Dat betekent niet dat elke veenschuur automatisch met dit systeem beter af is. Bij zware, ongelijkmatige verzakking is de fundering het echte probleem, niet het dakvlak. Bij een schuur die intensief gebruikt wordt en een stabiel klimaat nodig heeft, is condensfolie niet genoeg en ligt een geïsoleerde opbouw voor de hand.

Wilt u weten wat dit voor uw eigen schuur betekent, stuur ons dan de tekening met de gordingmaten en een omschrijving van het gebruik. Wij kijken kosteloos mee naar de juiste plaatlengte en de opbouw onder de plaat.

Terug naar het overzicht

KKlikzink
Pagina'sHomeSpecificatiesKleur / CoatingProjectenDetailsTechnisch adviesBlogContact
Contact
Adres
© Klikzink