Klikzink
Wie een havengebouw laat dekken of herdekken, komt bij twee heel verschillende systemen terecht: felsplaten van gecoat staal of een rubberen dakbedekking als EPDM. Ze concurreren niet altijd met elkaar. Op veel havengebouwen ligt de keuze al half vast voordat er over materiaal wordt gesproken, namelijk zodra de dakhelling bekend is.
EPDM is een membraan dat wordt gelast of gelijmd op een vlakke of licht hellende ondergrond. Het werkt goed van nul graden tot een graad of tien, twaalf. Felsplaten hebben een minimale helling van zes graden nodig om regenwater goed af te voeren langs de felsnaad. Onder die zes graden valt felswerk af, boven een graad of vijftien wordt EPDM voor de meeste toepassingen minder logisch, al blijft het technisch mogelijk. Tussen die twee grenzen, zeg tussen de zes en twaalf graden, overlappen de systemen elkaar en gaat het pas echt om de afweging.
Een havengebouw met een plat dak boven de kantine of de botenloods is dus vaak een EPDM-vraag, geen felsvraag. Een havenkantoor met een zadeldak van twintig graden is een felsvraag, geen EPDM-vraag. De discussie die er werkelijk toe doet speelt zich af bij het flauwe hellende dak, het soort dak dat je op veel jachthavens ziet boven de werkplaats of het sanitairgebouw: net te steil voor een echt plat dak, net te vlak voor een traditionele kap.
Bij een gebouw drie straten van het water is de coating een kwaliteitskeuze. Bij een havengebouw is het een noodzaak, en dat verandert de afweging tussen felsplaten en EPDM wezenlijk. Zout uit de lucht, opgejaagd door wind die vrij over het water kan razen, slaat neer op elk oppervlak dat het bereikt: de dakrand, de overstek, de gevel aan de waterzijde het eerst en het hardst.
EPDM zelf is voor rubber materiaal vrij ongevoelig voor zout; het membraan corrodeert niet, want het is geen metaal. Het aandachtspunt bij EPDM in een zoute, winderige omgeving ligt niet in het vlakke deel van het dak maar in de randen en de doorvoeren. Lijmranden, hoekstukken en de aansluiting op loden of aluminium randprofielen krijgen meer belasting te verduren naarmate de wind harder over het dak trekt, en juist daar zit ook de plek waar zout en vocht zich verzamelen. Een EPDM-dak dat verder aan de binnenkant van de haven ligt, uit de hoofdwindrichting, is een andere zaak dan een dak dat direct aan open water grenst.
Bij felsplaten ligt de zoutgevoeligheid in het materiaal zelf. Onze felsplaten zijn van verzinkt staal met een organische coating van 50 micrometer op basis van GreenCoat Pural BT. Die coating is bedoeld om het zink, en daarmee het staal daaronder, af te schermen van precies dit soort omgevingen. Zonder een deugdelijke coating tast zoute lucht een stalen plaat sneller aan dan in een gebouw verder van het water. Met de juiste coating is dat verschil veel kleiner geworden, en dat is dan ook de reden dat wij voor dit soort locaties niet zomaar elke afwerking adviseren.
Het punt is niet dat het één systeem beter tegen zout kan dan het andere. Het punt is dat beide systemen bij een havengebouw een uitvoering nodig hebben die op zout en wind is toegesneden, en dat die uitvoering bij felsplaten zichtbaar in het materiaal zit en bij EPDM vooral in de detaillering van randen en aansluitingen.
Een aannemer die op een dak drie kilometer landinwaarts standaard EPDM-details toepast, kan dat op een havengebouw aan open water niet zomaar herhalen. De randafwerking, de bevestiging van de trekvaste stroken en de keuze van de randprofielen verdienen dan meer aandacht dan in een beschutte omgeving. Bij felsplaten geldt iets vergelijkbaars voor de klemmen en de randdetails, al liggen die bij een goed uitgevoerd felsdak grotendeels verscholen onder de fels zelf; de platen worden blind bevestigd, zodat er geen doorboorde schroeven blootliggen die zout of vocht een ingang geven.
Wind is bij een havengebouw een even grote factor als zout, en de twee versterken elkaar. Harde windstoten van open water drukken en trekken aan het dakvlak, en juist bij een membraan als EPDM is de bevestiging tegen opwaaien een aandachtspunt dat toeneemt naarmate het dak minder beschut ligt. Bij felsplaten wordt die windbelasting opgevangen door de klemmen onder de fels en door de juiste keuze van de ondergrond, hout of staal, met de bijpassende bevestiging.
Is het dak van het havengebouw vlak of nagenoeg vlak, met een helling van pakweg twee tot vijf graden, dan valt felswerk technisch al snel af en is EPDM de aangewezen route, zoutbelasting of niet. Datzelfde geldt wanneer het gebouw een complexe vlakverdeling heeft met veel doorvoeren, lichtkoepels en installaties op het dak: EPDM is dan eenvoudiger rondom die onderdelen aan te sluiten dan een stelsel van felsplaten met bijpassend snijwerk. Ligt het gebouw daarnaast beschut binnen de haven, met minder directe windbelasting vanaf open water, dan is de extra aandacht voor randdetails minder urgent dan bij een pand dat pal aan de havenmond staat.
Heeft het havengebouw een dakhelling van zes graden of meer, dan geven felsplaten een oppervlak dat over de volle lengte van de baan geen naden of lasverbindingen kent behalve de fels zelf, wat bij een gebouw dat continu aan zout en wind blootstaat een overzichtelijk onderhoudsbeeld geeft. Voor gevels, verticaal toegepast, is EPDM meestal geen praktische optie terwijl felsplaten daar wel voor bedoeld zijn; een havengebouw met een gevelbekleding in dezelfde donkere kleur als het dak, bijvoorbeeld Slate Grey of Nordic Night Black, is met felsplaten in één lijn door te trekken van dak naar gevel.
De dakhelling van uw havengebouw is het eerste gegeven, niet de coating en niet de kleur. Kent u die helling, dan weet u vaak al welk systeem er überhaupt in aanmerking komt. Ligt uw dak in het overlappende gebied tussen zes en twaalf graden, dan is het zinvol om de windrichting, de ligging ten opzichte van open water en de complexiteit van het dakvlak in de afweging te betrekken voordat u een keuze vastlegt. Heeft u een tekening van het gebouw, dan denken wij daar kosteloos in mee en geven aan waar felsplaten in uw situatie passen en waar niet.