Klikzink
Een kantoorunit staat meestal maar een deel van zijn leven op één plek. Hij wordt gemaakt in een fabriekshal, vervoerd, neergezet, na een paar jaar misschien verplaatst of gestapeld met een tweede laag erop. Die geschiedenis is precies waarom condens in dit gebouw anders werkt dan in een kantoorpand met een vast betonnen dak. Wij krijgen deze vraag vaak van beheerders die na een koude nacht druppels aan de binnenkant van het plafond vinden en willen weten of dat aan de plaat ligt, aan de opbouw, of aan iets dat helemaal niets met het dak te maken heeft.
Condens is geen lek. Het is warme, vochtige binnenlucht die tegen een koud oppervlak aankomt en daar afkoelt tot de lucht het vocht niet meer kan vasthouden. In een kantoorunit is die binnenlucht vaak vochtiger dan mensen denken: een paar werkplekken, een waterkoker, een printer die warmte afgeeft, en 's winters een verwarming die de lucht opwarmt zonder dat er frisse lucht bijkomt. Bij een vast kantoorpand met een hoog plafond en een luchtbehandelingskast wordt die vocht meestal afgevoerd voordat hij de kans krijgt zich op te hopen. Een unit heeft dat volume niet. De ruimte tussen bureau en dakplaat is klein, en bij een gestapelde unit ligt er ook nog een vloer van de bovenste laag boven op het plafond van de onderste, wat de luchtcirculatie verder beperkt.
De staalplaat zelf is koud van aard: staal geleidt warmte snel, en zonder een luchtspouw of isolatielaag tussen de binnenkant van het plafond en de buitenplaat koelt de binnenzijde van de fels op een winternacht net zo snel af als de buitenkant. Op dat moment condenseert het vocht dat in de unit rondzweeft tegen de onderkant van de plaat, en dat druppelt naar beneden of blijft hangen op de isolatie eronder. Dat is een ander mechanisme dan een lekkage bij de fels of bij een doorvoer, en het vraagt dus ook een andere oplossing dan het dichtmaken van een naad.
Bij nieuwbouw van een kantoorunit bepaalt de fabrieksmaat de plaat, niet omgekeerd; dat principe hebben we op een andere pagina uitgewerkt. Voor condens is relevant dat die fabrieksmaat ook de dakopbouw als geheel vastlegt, inclusief de ruimte die er is voor een spouw of een dampremmende laag. Units worden in de fabriek als complete kist samengesteld, met een dakplaat die al ergens tussen 450 en de maximale breedte van 8000 millimeter op maat gewalst is voor die specifieke module. Er is dan weinig ruimte om achteraf een dikke isolatielaag of een extra ventilatiekanaal toe te voegen zonder de wanden van de unit aan te passen. Dat betekent dat de keuze voor ventilatie grotendeels al vastligt op het moment dat de unit van de band komt, en dat een beheerder die achteraf condensklachten krijgt, meestal moet werken met de ruimte die er al is.
Bij een vaste kantoorunit die na plaatsing niet meer verplaatst wordt, is dat minder een probleem: je kunt dan nog relatief eenvoudig een spouwlat of een geventileerde nok toevoegen. Bij een unit die bedoeld is om verplaatst of gestapeld te worden, ligt dat anders. Elke toevoeging aan de dakopbouw moet het transport en het stapelen doorstaan, en dat maakt bouwkundige aanpassingen achteraf duurder en minder vanzelfsprekend dan bij een pand dat op zijn plek blijft staan.
Onze felsplaten zijn van verzinkt staal met een coating aan de buitenzijde; ze houden regen en sneeuw buiten, maar ze ademen niet en ze isoleren niet. Een plaat kan dus nooit het probleem van condens aan de binnenzijde oplossen. Wat de plaat wél doet, is voorkomen dat er een tweede vochtbron bijkomt: de blinde bevestiging met klemmen onder de fels betekent dat er geen schroefgaten door de plaat heen zitten waar vocht van buiten naar binnen kan trekken. Bij een unit die regelmatig verplaatst wordt en dus regelmatig trillingen en lichte vervormingen doorstaat, is dat een reëel voordeel: schroeven door de plaat kunnen na een paar verplaatsingen speling krijgen, een blinde fels niet.
De oplossing voor condens zelf ligt aan de binnenzijde: een dampremmende folie tussen de binnenbeplating en de isolatie, voldoende isolatiedikte tussen binnenplafond en dakplaat, en een luchtspouw die vocht dat er toch doorheen komt, weer naar buiten kan afvoeren via de dakrand of de nok. Bij nieuwbouw kunnen wij daar in overleg met de unitbouwer op meedenken, zodat de dakplaat aansluit op een spouw die al in het ontwerp is meegenomen. Bij een bestaande unit waar dat niet gebeurd is, is de eerlijke boodschap dat het dakwerk zelf niet de plek is om het op te lossen; daar is de binnenzijde aan de beurt, en soms is dat een kwestie van een mechanische ventilator bijplaatsen in plaats van de dakopbouw open te breken.
Niet elke kantoorunit heeft condensklachten, en het is goed om te weten wanneer het risico klein is. Een unit die alleen als vergaderruimte of tijdelijk kantoor wordt gebruikt, met weinig mensen en een matige verwarming, produceert weinig vocht en heeft zelden last van condens onder het dak. Ook een unit die op een bouwplaats staat en 's nachts leegstaat zonder verwarming, warmt overdag en 's nachts gelijkmatiger op en af dan een permanent bemand kantoor, waardoor het temperatuurverschil tussen binnen en buiten kleiner blijft en condens minder kans krijgt. Bij een enkele unit zonder stapeling is er bovendien vaak nog wel ruimte om, als het toch nodig is, een extra ventilatierooster in de gevel te plaatsen zonder dat dit de constructie aantast.
Gestapelde units met veel bezette werkplekken en een beperkte fabrieksmaat zijn het geval waarin wij aanraden om vóór plaatsing goed te kijken naar isolatie en spouw, juist omdat achteraf ingrijpen dan het moeilijkst is. Daar is de vraag niet of de felsplaten deugen, maar of de opbouw onder de plaat is ontworpen om vocht weg te laten.
Wilt u voor een nieuwe of bestaande kantoorunit laten meekijken hoe de dakopbouw en de plaat op elkaar aansluiten, dan denken wij daar kosteloos over mee op basis van uw tekening.